Smart Fortwo (2017) handleiding

Gerelateerde videos

Instructievideo's, unboxing video's en productvideo's. Hieronder is een selectie van interresante video's te vinden over de Smart Fortwo (2017).

Oliepeil controleren

Bekijk hieronder de handleiding van de Smart Fortwo (2017). Alle handleidingen op ManualsCat.com zijn geheel gratis te bekijken. Via de knop 'Selecteer een taal' kan je kiezen in welke taal je de handleiding wilt bekijken.

  • Merk: Smart
  • Product: Auto
  • Model/naam: Fortwo (2017)
  • Bestandstype: PDF
  • Beschikbare talen: Italiaans, Duits, Frans, Portugees, Noors, Chinees, Russisch, Engels, Pools, Slowaaks, Grieks, Sloveens, Kroatisch, Tsjechisch, Turks, Spaans, Nederlands, Deens, Hongaars

Inhoudsopgave

Pagina: 1
Symbolen in de handleiding
F De volgende symbolen worden in deze
handleiding gebruikt:
G WAARSCHUWING
Waarschuwingsaanwijzingen wijzen op
gevaren die uw gezondheid of uw leven
resp. de gezondheid of het leven van ande-
ren in gevaar kunnen brengen.
H Milieu-aanwijzing
Milieu-aanwijzingen geven informatie
over milieubewust handelen of milieube-
wust afvoeren.
! De aanwijzingen m.b.t. schade maken u
opmerkzaam op risico's die de auto kunnen
beschadigen.
i Nuttige informatie of aanwijzingen die
behulpzaam kunnen zijn.
X Handelingsinstructie die moet worden
opgevolgd.
X Meerdere van deze op elkaar volgende
symbolen geven meerdere op elkaar vol-
gende stappen aan.
(Y pagina) Meer informatie over een onder-
werp
YY Waarschuwing of handelingsinstructie,
die op de volgende pagina wordt voortgezet..
Meldingstekst: Meldingstekst op het dis-
play van het combi-instrument, het smart
audiosysteem of het smart mediasysteem.
Pagina: 2
Over deze handleiding
Voor de eerste rit dient u zich aan de hand
van deze handleiding vertrouwd te maken
met de auto. Voor uw eigen veiligheid en voor
een langere levensduur van de auto advise-
ren wij u de volgende aanwijzingen en waar-
schuwingsaanwijzingen in deze handleiding
op te volgen. Onoplettendheid kan tot schade
aan de auto en persoonlijk letsel leiden.
Deze handleiding geeft informatie over de
belangrijkste functies van de auto.
De uitvoering of de productbenaming van de
auto is afhankelijk van:
RModel
ROpdracht
RExportuitvoering
RBeschikbaarheid
De afbeeldingen in deze handleiding tonen
een auto met links stuur. Bij auto's met rechts
stuur wijkt de indeling van onderdelen en
bedieningselementen overeenkomstig af.
smart past zijn auto's steeds aan de voort-
durende ontwikkeling van de wetenschap en
de techniek aan.
smart behoudt zich het recht voor de vol-
gende punten te wijzigen:
RVorm
RUitvoering
RTechniek
Daarom kan de beschrijving in sommige
gevallen afwijken van uw auto.
Onderdelen van de auto zijn:
RHandleiding
ROnderhoudsboekje
RUitrustingsafhankelijke aanvullende
handleidingen
Deze documentatie moet altijd in de auto
aanwezig zijn. Alle documentatie moet bij
verkoop van de auto aan de nieuwe eigenaar
worden overhandigd.
Uw handleidingen:
Digitaal op internet
De handleiding op internet biedt een-
voudige toegang tot alle informatie van
de auto en het multimediasysteem. Hij
bevat tevens nuttige animaties, fasci-
nerende achtergrondinformatie en uit-
gebreide zoekmogelijkheden.
Digitaal als app
Met de smart guides app kan alle infor-
matie over de auto en het multimedia-
systeem mobiel online of gedownload,
zonder verbinding met internet, worden
opgeroepen. Beschikbaar voor smart-
phone of tablet.
QR-codes voor de smart guides app.
Apple® iOS
Android™
Houd er alstublieft rekening mee, dat de
smart Guides app in uw land eventueel nog
niet beschikbaar is.
4535848806 É4535848806CËÍ
Pagina: 3
Trefwoordenregister ................................ 4
Inleiding .................................................. 20
Milieubescherming ................................ 20
smart originele onderdelen .................. 20
Garantie van het smart Audio-Sys-
tem en het smart Media-System .......... 21
Uitrusting van de auto .......................... 21
Bedrijfsveiligheid .................................. 21
QR-codes voor reddingskaart .............. 24
Opgeslagen data in de auto .................. 24
Informatie inzake auteursrecht ........... 25
In één oogopslag .................................... 26
Cockpit .................................................... 26
Multifunctioneel stuurwiel .................. 27
Middenconsole met schuiflade ............ 28
Bedieningspaneel dakconsole .............. 29
Portierbedieningseenheid .................... 30
Weergaven op het combi-instru-
ment en het display .............................. 31
Veiligheid ................................................ 32
Veiligheid voor inzittenden ................. 32
Kinderen in de auto ............................... 38
Huisdieren in de auto ............................ 48
Veilig rijden ........................................... 49
Instappen en inrichten .......................... 52
Portier openen ........................................ 52
Correcte stand van de bestuurders-
stoel ......................................................... 52
Stoelen instellen .................................... 52
Stuurwiel instellen ................................ 54
Spiegels instellen .................................. 54
Rijden ...................................................... 56
Nieuwe auto inrijden ............................. 56
Motor starten .......................................... 56
Wegrijden ............................................... 57
Start-stop-automaat gebruiken .......... 59
Handgeschakelde versnellingsbak
gebruiken ................................................ 60
Automatische transmissie gebrui-
ken ........................................................... 60
RACE START-functie gebruiken
(BRABUS 80 kW) ...................................... 64
Knipperlichten gebruiken .................... 64
Economisch rijden ................................. 64
Correct remmen ...................................... 68
Rijden bij natheid .................................. 68
Rijden in de winter ................................ 69
Spoorassistent gebruiken ..................... 69
Tempomat en limiter gebruiken .......... 70
Tanken .................................................... 72
Voor goed zicht zorgen .......................... 74
Verlichting inschakelen ....................... 74
Verlichting instellen ............................. 75
Interieurverlichting gebruiken ........... 76
Ruitenwissers gebruiken ...................... 76
Zonneklep opzij klappen ....................... 78
In het interieur behaaglijk voelen ....... 79
Portieren van binnenuit ont- en
vergrendelen .......................................... 79
Anti-inklemfunctie begrijpen .............. 80
Zijruiten openen en sluiten .................. 80
Cabriokap gebruiken (smart fortwo
cabrio) ..................................................... 81
Klimaatregelsysteem bedienen ........... 84
Stoelverwarming in- en uitschake-
len ............................................................ 87
Accessoires gebruiken .......................... 88
Parkeren en uitstappen ......................... 90
Parkeren .................................................. 90
Parkeerhulp gebruiken ......................... 90
Achteruitrijcamera gebruiken ............. 91
Auto vergrendelen ................................. 93
Diefstal-/inbraakalarminstallatie
in- en uitschakelen ............................... 93
Boordcomputer bedienen ...................... 94
Overzicht boordcomputer ..................... 94
Weergaven oproepen ............................. 95
Waarden instellen ................................. 97
2 Inhoudsopgave
Pagina: 4
smart Audio-System gebruiken ............ 99
smart Audio-System bedienen en
instellen .................................................. 99
Radio luisteren ..................................... 101
Mobiele telefoon gebruiken ................ 103
Externe gegevensdrager bedienen .... 105
smart Media-System gebruiken ......... 107
smart Media-System bedienen en
instellen ................................................ 107
Radio luisteren ..................................... 111
Mobiele telefoon gebruiken ................ 113
Externe gegevensdrager aanslui-
ten en bedienen ................................... 116
De afbeeldingen bekijken ................... 118
Video's afspelen ................................... 119
Navigatiesysteem gebruiken ............. 119
Apps beheren ........................................ 129
Beladen en opbergen ........................... 131
Kleine voorwerpen opbergen .............. 131
Bagage en grote voorwerpen opber-
gen ......................................................... 132
Bagagescherm gebruiken ................... 134
Onderhouden en verzorgen ................. 136
Wetenswaardigheden .......................... 136
Subwoofer uit- en inbouwen .............. 136
Afdekking van de motorruimte ope-
nen en sluiten ...................................... 136
Onderhoudsklep openen en sluiten ... 137
Bedrijfsstoffen controleren en bij-
vullen .................................................... 138
Banden en velgen controleren ........... 142
Wiel verwisselen .................................. 142
Bandenspanningscontrole gebrui-
ken ......................................................... 146
Bandenspanning controleren ............. 147
Winterbanden gebruiken .................... 148
Sneeuwkettingen gebruiken ............... 149
Ruitenwisserbladen vervangen ......... 149
Auto reinigen ........................................ 150
Onderhoudstermijnen waarnemen .... 155
Auto buiten gebruik stellen ............... 155
Ongeval en pech afhandelen ............... 156
De auto bij een ongeval of pechge-
val beveiligen ....................................... 156
EHBO-set verwijderen ......................... 157
Brandblusser verwijderen .................. 157
Boordgereedschapsbak verwijde-
ren ......................................................... 157
Banden afdichten met TIREFIT-set ... 158
Starthulp ontvangen en de accu
opladen ................................................. 160
Auto slepen en aanslepen ................... 163
Keuzehendelblokkering handmatig
opheffen ................................................ 166
Lichtbronnen vervangen .................... 167
Zekeringen vervangen ........................ 170
Sleutelbatterij vervangen ................... 171
Portier met noodontgrendeling
openen ................................................... 171
Portieren in geval van nood ver-
grendelen .............................................. 172
Zelfhulp ................................................. 173
Aanwijzingen bij de displaymel-
dingen ................................................... 173
Ont- en vergrendeling ........................ 173
Zicht, inzittenden, airbag ................... 175
Motor, remmen, transmissie ............... 177
Rijveiligheidssystemen ...................... 184
Bestuurdersassistentiesystemen ...... 190
Accu, verlichting, verwarming ........... 192
smart Audio-System en smart
Media-System ...................................... 194
Technische gegevens ........................... 196
Technische gegevens bevatten .......... 196
Autogegevens aflezen ......................... 196
Bedrijfsstoffen ...................................... 198
Soorten lichtbronnen .......................... 198
Zekeringenindelingen ......................... 199
Zendvergunningen van de banden-
spanningscontrole ............................... 201
Inbouwen van mobilofoons en
mobiele telefoons (RF-zenders) ......... 201
Inhoudsopgave 3
Pagina: 5
1, 2, 3 ...
12V-contactdoos
Zie Contactdoos (12V)
A
Aanhaalmoment wielbouten ................ 145
Aanjagerstand
verhogen of verlagen (aircon-
ditioning) .......................................... 85
verhogen of verlagen (automa-
tische temperatuurregeling) .......... 86
Aanslepen
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 163
Motornoodstart .............................. 166
ABS (antiblokkeersysteem)
Displaymelding .............................. 184
Waarschuwingslampje (geel) ....... 184
Werking/aanwijzingen .................... 49
Accu
Displaymelding .............................. 192
Accu (auto)
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 160
Opladen ........................................... 160
Starthulp ......................................... 162
Achterkap
Openen ............................................ 133
Sluiten ............................................. 133
Achterklep
Openen en sluiten .......................... 132
Openingsmaat ................................ 196
Waarschuwingslampje .................. 174
Achterklep (smart fortwo cabrio)
openen en sluiten .......................... 133
Achterlicht
Lichtbron vervangen ..................... 168
Achterruitenwisser
automatische achterruitenwis-
ser in de achteruitversnelling ....... 77
In- en uitschakelen ......................... 77
Wisserblad vervangen .................. 150
Achterruitverwarming
Achterruit ontwasemen (air-
conditioning) .................................... 85
Achterruit ontwasemen (auto-
matische temperatuurregeling) ..... 86
Achteruitrijcamera
Hulplijnen op het display ............... 92
In- en uitschakelen ......................... 92
Instellingen ...................................... 92
Reinigingsadviezen ....................... 151
Werking en aanwijzingen ............... 91
Achteruitrijlicht
Lichtbron vervangen ..................... 168
Achteruitversnelling
Inschakelen (automatische
transmissie) ..................................... 61
Inschakelen (handgeschakelde
versnellingsbak) .............................. 60
Additieven (brandstof) .......................... 72
Additieven (motorolie) ......................... 140
Additieven motorolie
Zie Additieven (motorolie)
Afdekking (vóór)
Zie Onderhoudsklep
Afdekking frontruimte
Zie Onderhoudsklep
Afdekking van de motorruimte ........... 136
Afdekking voorste wielkuip
verwijderen en aanbrengen ......... 168
Afmetingen ........................................... 196
Afstandseenheid
instellen ............................................ 98
Afstandswaarschuwingsfunctie
displaymelding .............................. 190
Waarschuwingslampje .................. 190
Werking en aanwijzingen ............... 49
Airbag
Activering ......................................... 33
Beschermingspotentieel ................. 36
Beschermingspotentieel
beperkt .............................................. 37
Frontairbag (bestuurder, pas-
sagier) ............................................... 36
Inbouwplaats ................................... 36
Kneebag ............................................ 36
Overzicht .......................................... 36
Passagiersairbag uit- en
inschakelen ...................................... 42
PASSENGER AIR BAG-controle-
lampjes .............................................. 38
Sidebag ............................................. 36
4 Trefwoordenregister
Pagina: 6
Airconditioning
Aanjagersnelheid verhogen of
verlagen ............................................ 85
Achterruit ontwasemen .................. 85
Beslagen ruiten ................................ 85
In- en uitschakelen ......................... 85
Koeling met luchtdroging ............... 85
Luchtrecirculatie in- en uit-
schakelen .......................................... 85
Luchtverdeling ................................ 85
Temperatuur instellen .................... 85
Voorruit ontwasemen ...................... 85
Alarm
Alarmsysteem .................................. 93
Beëindigen ........................................ 93
Alarmknipperlichten
In- en uitschakelen ....................... 156
Alarmsysteem
Alarm beëindigen ............................ 93
In- en uitschakelen ......................... 93
Alerts
instellen (audiosysteem) .............. 103
Anti-inklemfunctie
Zijruiten ............................................ 80
Antiblokkeersysteem
Zie ABS (antiblokkeersysteem)
Antislipkettingen
Zie Sneeuwkettingen
Apps
Algemene aanwijzingen ................ 129
installeren ...................................... 129
weergeven/oproepen ..................... 129
Aquaplaning ........................................... 68
Asbak ....................................................... 88
Audiosysteem
Bedienen ........................................... 99
Bluetooth®-audio-apparaat
verbinden ....................................... 106
Extern audio-apparaat (AUX)
verbinden ....................................... 106
Externe apparaten gebruiken ........ 99
Garantie ............................................ 21
Mobiele telefoon verbinden .......... 103
Onderbreking voor berichten
instellen .......................................... 103
Overzicht .......................................... 99
Problemen oplossen ....................... 194
Radio bedienen .............................. 101
Smartphone-houder ...................... 100
Systeeminstellingen ..................... 101
Tijd instellen .................................. 101
via mobiele telefoon bedienen ..... 100
Volume-/geluidsinstellingen ....... 101
Auteursrecht ........................................... 25
Auto
Aanslepen ....................................... 166
Aansprakelijkheid voor gebre-
ken ..................................................... 24
Autogegevens ................................. 196
Bedrijfsveiligheid ............................ 21
Correct gebruik ................................ 24
Elektronische installatie van de
auto ................................................... 21
Gegevensregistratie ........................ 24
Ontgrendelen (sleutel) .................... 52
Ontgrendelen in geval van nood .. 171
Opkrikken ....................................... 144
Registratie ........................................ 24
Slepen .............................................. 163
Tegen wegrollen beveiligen ......... 156
Uitrusting ......................................... 21
Vergrendelen (in geval van
nood) ................................................ 172
Vergrendelen (sleutel) .................... 93
Vervoeren ........................................ 165
Auto
Zie Auto
Autogegevens ....................................... 196
Automatisch rijlicht ............................... 74
Automatisch starten van de motor
(start-stop-automaat) ........................... 59
Automatische temperatuurregeling
Aanjagerstand verhogen of ver-
lagen ................................................. 86
Achterruit ontwasemen .................. 86
Beslagen ruiten ................................ 87
In- en uitschakelen ......................... 86
Koeling met luchtdroging ............... 86
Luchtrecirculatie in- en uit-
schakelen .......................................... 86
Luchtverdeling instellen ................ 86
Temperatuur instellen .................... 86
Voorruit ontwasemen ...................... 86
Automatische transmissie
Achteruitversnelling inschake-
len ...................................................... 61
Trefwoordenregister 5
Pagina: 7
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 60
Displaymelding .............................. 182
Handmatig inschakelen .................. 62
Keuzehendelblokkering hand-
matig opheffen ............................... 166
Kickdown .......................................... 62
Motor starten .................................... 56
Neutraalstand inschakelen ............ 61
Noodprogramma ............................. 183
Parkeerstand inschakelen .............. 61
Schakeladvies .................................. 65
Schakelpaddels ................................ 63
Schakelprogramma's ....................... 62
Storing (boordcomputer met
kleurendisplay) .............................. 182
Storing (boordcomputer met
monochroom display) .................... 182
Transmissiestanden ........................ 61
Wegrijden ......................................... 57
Autowasserrette (verzorging) ............. 151
Aux-aansluiting
Audiosysteem ................................... 99
Mediasysteem ................................ 107
B
Bagageruimte
Zie Achterklep
Bagagescherm
Aanbrengen .................................... 134
Uitbouwen ....................................... 135
Banden
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 142
Controle ........................................... 142
Draairichting .................................. 145
Levensduur ..................................... 143
M+S-banden (winterbanden) ....... 148
Opslaan ........................................... 146
Profiel .............................................. 142
Regels voor nieuwe banden .......... 143
Sneeuwkettingen ........................... 149
Verwisselen van een wiel ............. 142
Zie Bandenpech
Bandenpech
Auto voorbereiden ......................... 156
TIREFIT-set .................................... 158
Bandenspanning
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 147
Bereikt (TIREFIT) ............................ 160
controleren en aanpassen ............ 148
Displaymelding .............................. 186
Geadviseerde .................................. 147
Niet bereikt (TIREFIT) ................... 159
Bandenspanningscontrole
Opnieuw starten ............................ 146
starten ............................................... 98
Waarschuwingslampje .................. 186
Werking en aanwijzingen ............. 146
Zendvergunning voor banden-
spanningscontrole ......................... 201
Batterij (sleutel)
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 171
Vervangen ....................................... 171
Bedieningssysteem
Zie Boordcomputer
Bedrijfsstoffen
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 138
Brandstof ........................................ 198
Koelvloeistof (motor) ..................... 141
Motorolie ......................................... 198
Remvloeistof ................................... 198
Ruitensproeiervloeistof ................ 198
Bedrijfsveiligheid
Conformiteitsverklaringen ............. 23
Beeld
Weergave (mediasysteem) ............ 118
Beeldschermtoetsenbord
aanpassen (mediasysteem) .......... 109
Bekerhouder
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 131
Middenconsole ............................... 131
Bekerhouders
Zie Bekerhouder
Benzine .................................................... 72
Bestemming invoeren
Navigatie ........................................ 120
Besturing
Displaymelding (kleurendis-
play) ................................................ 189
Waarschuwingslampje .................. 189
6 Trefwoordenregister
Pagina: 8
Bestuurdersportier
Zie Portier
Bestuurdersstoel
Zie Stoel
Binnenspiegel ......................................... 54
Binnenverlichting
Zie Interieurverlichting
Bluetooth®
Apparaat aansluiten (media-
systeem) .......................................... 117
bedienen (audiosysteem) .............. 106
functie voor mobiele telefoon
autoriseren (audiosysteem) ......... 103
in- en uitschakelen (mediasys-
teem) ................................................ 113
mobiele telefoon activeren
(audiosysteem) ............................... 103
mobiele telefoon activeren
(mediasysteem) .............................. 114
Bochtverlichting .................................... 75
Boordcomputer
Bedienen ........................................... 94
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 94
Overzicht .......................................... 94
Taal selecteren ................................. 98
waarden instellen/terugzetten
(kleurendisplay) .............................. 97
Waarden instellen/terugzetten
(monochroom display) .................... 97
Weergaven oproepen (kleuren-
display) ............................................. 95
weergaven oproepen (mono-
chroom display) ............................... 95
Weergeven ........................................ 96
Boordgereedschap ................................ 157
Bouwserie
Zie Voertuigtypeplaatje
Box (luidspreker)
Zie Subwoofer
Brandblusser ......................................... 157
Brandstof
Actueel verbruik weergeven
(kleurendisplay) .............................. 96
Actueel verbruik weergeven
(monochroom display) .................... 95
Additieven ........................................ 72
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 72
E10 ..................................................... 72
Kwaliteit (benzine) .......................... 72
Probleem (storing) ......................... 178
Tanken .............................................. 73
Brandstofinhoud
Meter ................................................. 94
Brandstofniveau ..................................... 94
Brandstofreserve
Displaymelding .............................. 178
Buitenlandse reis
Symmetrisch dimlicht ..................... 75
Buitenspiegels
Instellen ............................................ 55
Uit vergrendeling (Probleem
oplossen) ......................................... 175
Buitentemperatuurmeter
Eenheid instellen ............................. 98
kleurendisplay ................................. 95
monochroom display ....................... 94
Buitenverlichting
Reinigen .......................................... 153
Zie Verlichting
C
Cabriokap
Achterkap openen .......................... 133
Achterkap sluiten .......................... 133
Opbergruimte zonder zijtogen
sluiten ............................................... 84
Zijtogen opbergen ............................ 82
Zijtogen verwijderen ....................... 82
Centrale vergrendeling
Automatische vergrendeling .......... 79
Ver- en ontgrendelen (sleutel) ...... 93
Cockpit
Overzicht .......................................... 26
Cockpit-klok ........................................... 65
Conformiteitsverklaring ........................ 23
Connectiviteits-beheer ....................... 129
Contactdoos (12V)
Middenconsole ................................. 89
Controlelampjes
Zie Waarschuwings- en contro-
lelampjes
Trefwoordenregister 7
Pagina: 9
D
DAB-radio
Zie Digitale radio
Dagrijlicht ............................................... 74
Dagteller
weergeven (kleurendisplay) .......... 96
weergeven (monochroom dis-
play) .................................................. 95
Dagteller
Zie Dagteller
Dakbedieningseenheid .......................... 29
Dashboard
Extra instrumenten ......................... 65
Dashboardkastje ................................... 131
Dashboardverlichting
Instellen ............................................ 97
Delen van gegevens
beheren ........................................... 130
Diagnose-interface ................................ 23
Diefstalbeveiliging
Alarmsysteem .................................. 93
Dieren
Zie Huisdieren in het voertuig
Digitale radio
Audiosysteem ................................. 102
Diashow (mediasysteem) .............. 112
Diensten weergeven (media-
systeem) .......................................... 112
EPG (Electronic Program Guide)
(mediasysteem) .............................. 112
Frequentiebereik (audiosys-
teem) ................................................ 102
Inleiding (audiosysteem) ............. 102
Intellitext™ (mediasysteem) ........ 112
Mediasysteem ................................ 111
Onderbreking voor berichten
instellen (audiosysteem) .............. 103
Digitale snelheidsmeter
Weergeven ........................................ 97
Dimlicht
Buitenlandse reizen ........................ 75
In- en uitschakelen ......................... 74
Lampje vervangen ......................... 167
Display
Kleuren .............................................. 95
Monochroom ..................................... 94
Reinigen .......................................... 153
Displaymelding
Algemene aanwijzingen ................ 173
Kleurendisplay ................................ 96
E
EBD (elektronische remkrachtver-
deling)
Controlelampje ............................... 184
Werking en aanwijzingen ............... 51
eco score
Gegevens resetten ........................... 67
Huidige rit analyseren .................... 67
Oproepen ........................................... 67
Rit opslaan ....................................... 67
Rit vergelijken ................................. 67
weergave (kleurendisplay) ............. 66
weergave (monochroom dis-
play) .................................................. 66
Werking en aanwijzingen ............... 66
Economisch rijden
algemene aanwijzingen .................. 64
eco score weergave .......................... 66
Schakeladvies in acht nemen ......... 65
Eenheden
Instellen (boordcomputer) .............. 98
EHBO-set ............................................... 157
Electronic Brake-force Distribution
Zie EBD (elektronische rem-
krachtverdeling)
Elektrische bediening van de por-
tierruiten
Zie Zijruiten
Elektromagnetische verdraag-
zaamheid
Conformiteitsverklaring ................. 23
Elektronisch tractiesysteem
Zie ETS (elektronisch tractiesysteem)
EPG (Electronic Program Guide)
weergeven (audiosysteem) ........... 103
weergeven (mediasysteem) .......... 112
ESP® (elektronisch stabiliteitspro-
gramma)
Algemene aanwijzingen .................. 50
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 50
Displaymelding .............................. 185
8 Trefwoordenregister
Pagina: 10
Waarschuwings- en controle-
lampjes ............................................ 185
Zijwindassistent .............................. 50
ETS (elektronisch tractiesysteem) ....... 50
Extern audio-apparaat (AUX)
Verbinden (audiosysteem) ........... 106
Externe gegevensdrager
Aansluiten (audiosysteem) ............. 99
Bedienen (audiosysteem) .............. 105
Externe informatiedrager
aansluiten (mediasysteem) .......... 116
bedienen (mediasysteem) ............. 117
Extra deurvergrendeling ....................... 79
F
Fabrieksinstellingen
terugzetten (mediasysteem) ........ 109
Favorieten
aanmaken (mediasysteem) ........... 111
beheren (mediasysteem) ............... 111
Frequenties
Mobiele telefoon ............................. 201
Mobilofoon ...................................... 201
Frontairbag ............................................. 36
Functionele stoel
Zie Stoel
G
Gebied met te hoog toerental ................ 65
Gegevens
Zie Technische gegevens
Gegevensdrager
Zie Externe gegevensdrager
Gekwalificeerde werkplaats .................. 23
Geluid
instellen (audiosysteem) .............. 101
instellen (mediasysteem) ............. 110
Gereedschap
Zie Boordgereedschap
Gevarendriehoek .................................. 157
Gloeilamp vervangen
Zie Lichtbron vervangen
Gloeilampen vervangen
Zie Lichtbron vervangen
Gordelspanner
Activering ......................................... 33
Gordelwaarschuwing ............................. 36
Grootlicht
In- en uitschakelen ......................... 74
Lampjes vervangen ....................... 167
H
Handgeschakelde versnellingsbak
Achteruitversnelling inschake-
len ...................................................... 60
Displaymelding (kleurendis-
play) ................................................ 181
Displaymelding (monochroom
display) ........................................... 181
Motor starten .................................... 56
Neutraalstand inschakelen ............ 60
Schakeladvies .................................. 65
Storing (boordcomputer met
kleurendisplay) .............................. 182
Storing (boordcomputer met
monochroom display) .................... 182
Versnelling inschakelen ................. 60
Versnellingshendel ......................... 60
Wegrijden ......................................... 57
Handleiding
Uitvoering van het voertuig ........... 21
Handsfree-installatie
Zie Mobiele telefoon
Hemelbekleding en vloerbedekking
(reinigingsadviezen) ............................ 155
Huisdieren in het voertuig .................... 48
I
i-Size-kinderzitjebevestigingen .......... 40
i-Traffic
verkeersinformatie ........................ 113
Inparkeren
Zie Parkeren
Inrij-aanwijzingen ................................. 56
Instrumentenpaneel
Overzicht .......................................... 31
Waarschuwings- en controle-
lampjes .............................................. 31
Intellitext™
inschakelen (audiosysteem) ......... 103
instellen (mediasysteem) ............. 112
Interieurverlichting
In- en uitschakelen ......................... 76
Lampjes vervangen ....................... 169
Trefwoordenregister 9
Pagina: 11
Sfeerverlichting Instellen .............. 98
Sfeerverlichting instellen
(kleurendisplay) .............................. 76
Intervalwissen ........................................ 77
ISOFIX-kinderzitjebevestiging ............. 40
K
Kap
belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 81
Openen .............................................. 82
Reinigen .......................................... 153
Sluiten ............................................... 82
Kap (vóór)
Zie Onderhoudsklep
Kentekenplaatverlichting
Lampje vervangen ......................... 169
Keuzehendel
Reinigen .......................................... 154
Keuzehendelblokkering handmatig
opheffen (automatische transmis-
sie) ......................................................... 166
Kickdown ................................................. 62
Kilometerteller
Kleurendisplay ................................ 96
Monochroom display ....................... 95
Kilometertotaalstand
Kleurendisplay ................................ 96
Monochroom display ....................... 94
Weergave-eenheid instellen .......... 98
Kinderen
Zitjes .................................................. 38
Kinderzitje
Adviezen ........................................... 47
Geschikte plaatsen .......................... 44
i-Size ................................................. 40
ISOFIX ................................................ 40
Naar achteren gericht zitje ............ 44
Naar voren gericht zitje .................. 44
Op passagiersstoel .......................... 43
Top Tether ........................................ 41
Zitplaatsen geschikt voor i-
Size-kinderzitjesbevestigings-
systeem ............................................. 47
Zitplaatsen geschikt voor
ISOFIX-kinderzitjes ......................... 46
Zitplaatsen geschikt voor kin-
derzitjes die met autogordels
worden vastgezet ............................. 45
Kneebag ................................................... 36
Knipperlicht (achter)
Lichtbron vervangen ..................... 168
Knipperlicht (voor)
Lichtbron vervangen ..................... 168
Koeling
Zie Temperatuurregeling
Koeling met luchtdroging
Airconditioning ................................ 85
Automatische temperatuurre-
geling ................................................ 86
Koelvloeistof
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 141
Displaymelding .............................. 179
Koelvloeistofpeil controleren
en bijvullen .................................... 141
Temperatuurweergave .................... 96
Koplampen instellen .............................. 75
Krik
Gebruiken ....................................... 144
Kunststof bekleding (reinigingsad-
viezen) ................................................... 154
L
Lak (reinigingsadviezen) ..................... 153
Lakcode ................................................. 196
Lampje vervangen
Afdekking (voorste wielkuip)
verwijderen en aanbrengen ......... 168
Lampjes
Zie Waarschuwings- en contro-
lelampjes
Lampjes vervangen
belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 167
Dimlicht .......................................... 167
Grootlicht ........................................ 167
Kentekenplaatverlichting ............ 169
Overzicht typen lampjes ............... 198
Leeslampje .............................................. 76
Licht
Alarmknipperlichten ..................... 156
Zie Lampjes vervangen
10 Trefwoordenregister
Pagina: 12
Lichtbron vervangen
Achterlicht ...................................... 168
Achteruitrijlicht ............................. 168
Interieurverlichting ...................... 169
Knipperlicht (achter) .................... 168
Knipperlicht (voorste) ................... 168
LED ................................................... 168
Mistachterlicht .............................. 168
Remlicht .......................................... 168
Lichtsignaal ............................................ 74
Limiter
Algemene aanwijzingen .................. 70
Displaymelding (kleurendis-
play) ................................................ 191
Functies en inschakelvoor-
waarden ............................................ 70
Inschakelen ...................................... 71
Onderbreken ..................................... 71
Opgeslagen snelheidsbegren-
zing oproepen .................................. 71
Opgeslagen snelheidsbegren-
zing overschrijden .......................... 70
Opgeslagen snelheidsbegren-
zing verhogen of verlagen .............. 71
Snelheidsbegrenzing instellen ...... 71
Uitschakelen .................................... 71
Luchtdruk
Zie Bandenspanning
Luchtrecirculatie
In- en uitschakelen (aircondi-
tioning) ............................................. 85
In- en uitschakelen (automati-
sche temperatuurregeling) ............ 86
Luchtroosters
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 87
Instellen ............................................ 87
Luchtuitstroomopeningen
Zie Luchtroosters
Luchtverdeling
instellen (airconditioning) ............. 85
Instellen (automatische tempe-
ratuurregeling) ................................ 86
Luidsprekers
Zie Subwoofer
M
M+S-banden (winterbanden) .............. 148
Mediasysteem
Achteruitrijcamera .......................... 91
Apps installeren ............................ 129
Bedieningselementen .................... 107
Beeldschermtoetsenbord aan-
passen ............................................. 109
Beeldvertoning ............................... 118
Connectiviteits-beheer ................. 129
Display-instellingen ..................... 109
eco score ........................................... 67
Favorieten aanmaken .................... 111
Garantie ............................................ 21
Gegevens delen .............................. 130
Gegevensverbinding ..................... 129
in- en uitschakelen ....................... 108
Klok instellen ................................. 109
Menu Navigatie .............................. 119
Menu Systeem ................................ 109
Menu's oproepen ............................ 108
Navigatiesysteem .......................... 119
Overzicht ......................................... 107
Problemen oplossen ....................... 194
Radio bedienen .............................. 111
Startpagina ..................................... 108
Status en informatie ...................... 109
Systeeminstellingen ..................... 109
Taal selecteren ............................... 109
Toetsen in het multifunctioneel
stuurwiel ......................................... 107
Videoweergave ............................... 119
Volume-/geluidsinstellingen ....... 110
Waarschuwingssignalen
instellen .......................................... 110
Weergave startpagina selecte-
ren ................................................... 109
Meldingengeheugen (kleurendis-
play) ........................................................ 96
Middenconsole
Overzicht .......................................... 28
Milieubescherming
Algemene aanwijzingen .................. 20
Terugname van de oude auto ......... 20
MirrorLink™
gebruiken ........................................ 114
Trefwoordenregister 11
Pagina: 13
Mistachterlicht
In- en uitschakelen ......................... 75
Lichtbron vervangen ..................... 168
Mistlampen
In- en uitschakelen ......................... 75
Mobiele telefoon
Frequenties .................................... 201
Gegevens automatisch down-
loaden (mediasysteem) ................. 114
Geluid instellen (audiosysteem) .. 104
Inbouw ............................................ 201
MirrorLink™ gebruiken ................. 114
telefoneren (mediasysteem) ......... 115
Telefoonboek laden en actuali-
seren (audiosysteem) .................... 104
Verbinden (audiosysteem) ........... 103
verbinden (mediasysteem) ........... 113
Zendvermogen (maximaal) ........... 201
Mobilofoon
Frequenties .................................... 201
Inbouw ............................................ 201
Zendvermogen (maximaal) ........... 201
Monteren van een wiel
Auto opkrikken ............................... 144
Auto tegen wegrollen beveili-
gen ................................................... 156
Auto voorbereiden ......................... 144
Wiel monteren ................................ 145
Wiel verwijderen ............................ 144
Motor
Aanslepen (auto) ............................ 166
Afzetten ............................................. 90
Displaymelding .............................. 178
Onregelmatig draaien ................... 177
Start-stop-automaat ....................... 59
Starten met sleutel .......................... 56
Starthulp ......................................... 160
Startproblemen .............................. 177
Waarschuwingslampje (motor-
diagnose) ........................................ 178
Motorelektronica
Aanwijzingen ................................... 21
Probleem (storing) ......................... 177
Motorolie
Aanwijzingen m.b.t. kwaliteit ...... 198
Additieven ...................................... 140
Bijvullen ......................................... 140
Displaymelding .............................. 179
Oliepeil controleren ....................... 139
Waarschuwingslampje .................. 179
Multifunctioneel stuurwiel
Overzicht .......................................... 27
N
Navigatie
actuele locatie ................................ 126
Alternatieve route ......................... 123
Bestemming invoeren .................... 120
Bestemming uit laatste bestem-
mingen selecteren ......................... 121
Bestemming via geo-coördina-
ten invoeren ................................... 121
Bestemming via het adres
invoeren .......................................... 120
Bestemming via kaart invoeren ... 120
Bestemmingsgeheugen ................. 121
Details over de route ..................... 122
Gesproken aanwijzing uit- en
inschakelen .................................... 124
Kaartgegevens inlezen .................. 119
Probleem oplossen ......................... 194
Route wijzigen ................................ 123
Routeberekening starten .............. 122
Routeplanning instellen ............... 124
Speciale bestemming invoeren .... 121
Starten ............................................ 119
stem instellen ................................ 128
Systeeminstellingen ..................... 128
Thuisadres invoeren of opslaan .. 121
TomTom Services ........................... 126
Tussenbestemmingen ................... 123
Verkeersinformatie ........................ 125
Noodontgrendeling
Auto ................................................. 171
Bestuurdersportier ........................ 171
Noodprogramma automatische
transmissie ........................................... 183
Noodvergrendeling auto ...................... 172
O
Olie
Zie Motorolie
On-Board-diagnose-interface
Zie Diagnose-interface
12 Trefwoordenregister
Pagina: 14
Onderhoudsindicator
oproepen (kleurendisplay) ............. 96
oproepen (monochroom dis-
play) .................................................. 95
Onderhoudsklep ................................... 137
Onderhoudstermijn
Displaymelding .............................. 183
Ontgrendeling
Binnen (centrale-ontgrende-
lingstoets) ........................................ 79
Met noodsleutel .............................. 171
Opbergmogelijkheden .......................... 131
Opbergvak
Bekerhouder ................................... 131
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 131
Brillenvak ....................................... 131
Dashboardkastje ............................ 131
Middenconsole ............................... 131
Portier ............................................. 131
Opbergvak in de achterklep ................ 131
Origineel onderdeel ............................... 20
P
Parkeerhulp achter
In- en uitschakelen ......................... 91
Werking en aanwijzingen ............... 90
Parkeerrem
Algemene aanwijzingen .................. 58
Displaymelding .............................. 180
Waarschuwingslampje .................. 180
Parkeren
Achteruitrijcamera .......................... 91
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 90
Parkeerhulp ...................................... 90
Parkeerrem ....................................... 58
Parkeerstand inschakelen .............. 61
Passagiersairbag
Probleem (storing) ......................... 176
uit- en inschakelen ......................... 42
Passagiersairbaguitschakeling
Controlelampjes PASSENGER
AIR BAG ............................................. 38
Statusindicatie ................................ 38
Passagiersstoel
Omklappen ...................................... 134
PASSENGER AIR BAG
Controlelampjes ............................... 38
Uit- en inschakelen ......................... 42
Pech
Zie Bandenpech
Zie Slepen en aanslepen
Portier
Automatische vergrendeling
(schakelaar) ...................................... 79
Bedieningseenheid .......................... 30
Centraal ver- en ontgrendelen
(sleutel) ............................................. 93
Displaymelding .............................. 174
Noodontgrendeling ........................ 171
Noodvergrendeling ........................ 172
ontgrendelen (sleutel) .................... 52
Openen (van binnenuit) .................. 79
Q
QR-code
Reddingskaart .................................. 24
R
RACE START
activeren ........................................... 64
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 64
Radio
Bedienen (audiosysteem) .............. 101
bedienen (mediasysteem) ............. 111
i-Traffic (verkeersinformatie) ..... 113
Programma-informatie weer-
geven (EPG) (audiosysteem) ......... 103
Weergavemodus ............................. 111
Radiografische onderdelen van het
voertuig
Conformiteitsverklaring ................. 23
Radiotekst
Weergeven (audiosysteem) ........... 102
weergeven (mediasysteem) .......... 112
Recycling
Zie Milieubescherming
Reddingskaart ........................................ 24
Regen- en lichtsensor (displaymel-
ding) ...................................................... 192
Regensensor ............................................ 77
Trefwoordenregister 13
Pagina: 15
Rem
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 68
beperkte remwerking op wegen
waarop gestrooid is ......................... 68
EBD ..................................................... 51
Parkeerrem ....................................... 58
remmen bij afdalingen .................... 68
remmen bij natheid ......................... 68
Rijtips ................................................ 68
Remkrachtverdeling
Zie EBD (elektronische rem-
krachtverdeling)
Remlicht
Displaymelding .............................. 192
Lichtbron vervangen ..................... 168
Remmen
ABS ..................................................... 49
Waarschuwingslampje .................. 180
Remvloeistof
Displaymelding .............................. 180
Richtingaanwijzer
In- en uitschakelen ......................... 64
Richtingaanwijzers
Zie Richtingaanwijzer
Richtlijnenmetbetrekkingtotbela-
ding ........................................................ 132
Rijden door het water
Op de weg .......................................... 69
Rijden in de winter
Algemene aanwijzingen .................. 69
Glad wegdek ..................................... 69
Sneeuwkettingen ........................... 149
Rijlicht
Zie Automatisch rijlicht
Rijstrookherkenning (automatisch)
Zie Spoorassistent
Rijsysteem
RACE START ...................................... 64
Rijsystemen
Limiter .............................................. 70
Spoorassistent ................................. 69
Tempomaat ....................................... 70
Rijtips
Afdalingen ........................................ 68
Aquaplaning ..................................... 68
Beperkte remwerking op wegen
waarop gestrooid is ......................... 68
Glad wegdek in de winter ............... 69
Inrij-aanwijzingen .......................... 56
Remmen ............................................. 68
Rijden door water op de weg .......... 69
Rijden in de winter .......................... 69
Rijden op nat wegdek ...................... 68
Symmetrisch dimlicht ..................... 75
Wegrijden ......................................... 57
Zie Economisch rijden
Rijveiligheidssysteem
ABS (antiblokkeersysteem) ............. 49
Afstandswaarschuwingsfunc-
tie ....................................................... 49
EBD (Electronic Brake-force
Distribution) ..................................... 51
ESP® (elektronisch stabiliteits-
programma) ...................................... 50
ETS (elektronisch tractiesys-
teem) ................................................. 50
Grenzen van de rijveiligheids-
systemen ........................................... 49
Zijwindassistent .............................. 50
Ritregistratie
Zie Dagteller
Route wijzigen
Navigatie ........................................ 123
Ruiten
Reinigen .......................................... 152
Zie Zijruiten
Ruitensproeierinstallatie
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 141
Bijvullen ......................................... 141
Ruitensproeiervloeistof
Zie Ruitensproeierinstallatie
Ruitenwisserbladen
Reinigen .......................................... 152
Vervangen (op achterruit) ............ 150
Vervangen (voorruit) ..................... 150
Ruitenwissers
Achterruitenwisser .......................... 77
In- en uitschakelen ......................... 76
Intervalwissen ................................. 77
Probleem (storing) ......................... 175
Regensensor ..................................... 77
Wissen met ruitensproeier-
vloeistof ............................................ 77
Wisserbladen vervangen .............. 149
14 Trefwoordenregister
Pagina: 16
S
Schakeladvies ......................................... 65
Sd-kaart
aansluiten (mediasysteem) .......... 117
Kaartgegevens inlezen .................. 119
Sd-kaart-sleuf ............................... 107
Sensoren (reinigingsadviezen) ........... 152
Servicewerkplaats
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Sfeerverlichting
Helderheid instellen ....................... 98
in- en uitschakelen ......................... 98
Sidebag .................................................... 36
Sigarettenaansteker .............................. 88
Slepen
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 163
Met beide assen op de grond ........ 165
Met opgetilde achteras ................. 165
Sleepoog aanbrengen .................... 165
Sleepoog verwijderen .................... 166
Sleutel
Batterij vervangen ......................... 171
Kap openen ....................................... 82
Motor starten .................................... 56
Probleem (storing) ......................... 173
Standen in het contactslot ............. 56
Verlies ............................................. 173
Sleutelstanden (contactslot) ................. 56
smart center
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Smartphone
aanbrengen en verwijderen ......... 100
Audiosysteem via mobiele tele-
foon bedienen ................................. 100
Houder monteren ........................... 100
Smeermiddeladditieven
Zie Additieven (motorolie)
Sneeuwkettingen .................................. 149
Snelheid begrenzen
Zie Limiter
Snelheid regelen
Zie TEMPOMAAT
Snelheidsmeter
algemene aanwijzingen (digi-
tale snelheidsmeter) ....................... 97
Digitale ............................................. 95
weergeven (digitale snelheids-
meter) ................................................ 97
Zie Instrumentenpaneel
Spatbordrand vóór
Afdekking verwijderen en aan-
brengen ........................................... 168
Speciale bestemming
Invoeren .......................................... 121
Specialist
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Spiegel
Zie Binnenspiegel
Zie Buitenspiegels
Spoorassistent
In- en uitschakelen ......................... 70
Waarschuwingslampje (kleu-
rendisplay) ..................................... 191
Waarschuwingslampje (mono-
chroom display) ............................. 191
Werking en aanwijzingen ............... 69
Spraakgestuurd bedieningssys-
teem
Applicatie starten .......................... 107
Navigatie bestemmingsinvoer ..... 121
Problemen met het spraakge-
stuurd bedieningssysteem ........... 195
Sschakelpaddles ..................................... 63
Stadslicht
In- en uitschakelen ......................... 75
Start-stop-automaat
Algemene aanwijzingen .................. 59
Automatisch afzetten van de
motor ................................................. 59
Automatisch starten van de
motor ................................................. 60
uit- en ingeschakeld ....................... 60
Starten
Zie Starten (motor)
Starten (motor) ....................................... 56
Starthulp (motor) ................................. 160
Starthulp (motor)
Zie Starthulp (motor)
Stoel
Bekleding reinigen ........................ 154
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 52
Correcte stand van de bestuur-
dersstoel ........................................... 52
Trefwoordenregister 15
Pagina: 17
Instellen (mechanisch) ................... 52
Passagiersstoel omklappen .......... 134
Stoelverwarming in- en uit-
schakelen .......................................... 87
Stoelverwarming .................................... 87
Stuurkolom
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 54
Instellen (mechanisch) ................... 54
Reinigen .......................................... 154
Stuurslot
Zie Sleutelstanden
Stuurwiel
Schakelpaddels ................................ 63
Toetsenoverzicht ............................. 27
Subwoofer
Aanbrengen en verwijderen ......... 136
T
Taal
selecteren (mediasysteem) ........... 109
Taal (boordcomputer) ............................ 98
Tankdopklep
Openen en sluiten ............................ 73
Probleem (storing) ......................... 174
Tanken
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 72
Tankdopklep ..................................... 73
Tanken .............................................. 73
Zie Brandstof
Technische gegevens
Autogegevens ................................. 196
Informatie ....................................... 196
Telefoneren
Audiosysteem ................................. 104
mediasysteem ................................ 115
Telefoonboek
Laden (audiosysteem) ................... 104
Temperatuur
Instellen (airconditioning) ............. 85
instellen (automatische tempe-
ratuurregeling) ................................ 86
Koelvloeistof (weergave in de
boordcomputer) ................................ 96
Temperatuurregeling
Airconditioning ................................ 85
Algemene aanwijzingen .................. 84
Automatische temperatuurre-
geling ................................................ 86
Luchtroosters instellen .................. 87
TEMPOMAAT
Activeren .......................................... 71
Actuele snelheid opslaan en
vasthouden ....................................... 71
Algemene aanwijzingen .................. 70
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 70
Deactiveren ...................................... 71
Displaymelding (monochroom
display) ........................................... 191
Laatst opgeslagen snelheid
oproepen ........................................... 71
Snelheid verhogen of verlagen ...... 71
Snelheidsregeling onderbreken .... 71
Toetsen .............................................. 71
Werking en aanwijzingen ............... 70
Tempomat
Displaymelding (kleurendis-
play) ................................................ 191
Thuisadres
Invoeren en opslaan ...................... 121
Tijd
Instellen (audiosysteem) .............. 101
instellen (kleurendisplay) .............. 97
Instellen (mediasysteem) ............. 109
Tijdmodus instellen (kleuren-
display) ............................................. 97
Waarden instellen (mono-
chroom display) ............................... 97
TIREFIT-set .......................................... 158
Toerenteller ............................................ 65
Toetsenbord
aanpassen (mediasysteem) .......... 109
TomTom Services
Abonnementstatus ......................... 127
activeren ......................................... 126
Inleiding ......................................... 126
Menu Mijn services ........................ 127
Menu Verkeersinfo ......................... 127
TopTether ............................................... 41
Touchscreen
Bediening van het touchscreen ... 108
Instellingen met OK bevestigen ... 108
16 Trefwoordenregister
Pagina: 18
Transmissie
Zie Automatische transmissie
Zie Handgeschakelde versnellingsbak
Transport (auto) ................................... 165
Typeplaatje
Zie Voertuigtypeplaatje
U
Uitlaatsierstuk
Reinigen .......................................... 152
Usb-aansluiting
Audiosysteem ................................... 99
Mediasysteem ................................ 107
Usb-apparaat
Aansluiten (audiosysteem) ........... 105
aansluiten (mediasysteem) .......... 116
Bedienen (audiosysteem) .............. 105
V
Veiligheid
Kinderen in de auto ......................... 38
Zie Bedrijfsveiligheid
Zie Veiligheidssystemen inzittenden
Veiligheidsgordel
Afdoen ............................................... 35
Beschermingspotentieel ................. 34
Beschermingspotentieel
beperkt .............................................. 34
Omgespen ......................................... 35
Reinigen .......................................... 154
Waarschuwingslampje (wer-
king) .................................................. 36
Veiligheidssysteem
Bedrijfsklare status ......................... 32
Beschermingspotentieel ................. 32
Beschermingspotentieel
beperkt .............................................. 32
Displaymelding .............................. 176
Storing .............................................. 32
Systeemzelftest ................................ 32
Waarschuwingslampje .................. 176
Waarschuwingslampje (func-
tie) ..................................................... 32
Werking bij een ongeval ................. 33
Veiligheidssystemen inzittenden
Airbags .............................................. 36
Controlelampjes PASSENGER
AIR BAG ............................................. 38
Gordelwaarschuwing ....................... 36
Huisdieren in het voertuig ............. 48
Kinderen in de auto ......................... 38
Pechlamp veiligheidssysteem ....... 32
Veiligheidsgordels .......................... 34
Veiligheidssysteem ......................... 32
Vergrendeling
Zie Centrale vergrendeling
Vergrendeling (portieren)
Automatisch ..................................... 79
Binnen (centrale-vergrende-
lingstoets) ........................................ 79
Noodvergrendeling ........................ 172
Verkeersinformatie
in- en uitschakelen ....................... 102
Verlichting
Automatisch rijlicht ........................ 74
Bochtverlichting .............................. 75
Buitenlandse reizen ........................ 75
Dimlicht ............................................ 74
Displaymelding .............................. 193
Grootlicht .......................................... 74
Lichtbundel ...................................... 75
Lichtsignaal ..................................... 74
Mistachterlicht ................................ 75
Mistlampen ....................................... 75
Richtingaanwijzers ......................... 64
Sfeerverlichting Instellen .............. 98
Stadslicht ......................................... 75
Verlichtingsschakelaar ................... 74
Zie Interieurverlichting
Verlichting
Zie Verlichting
Verwarming
Zie Temperatuurregeling
Verzorging
Aanwijzingen ................................. 150
Achteruitrijcamera ........................ 151
Autowasstraat ................................ 151
Buitenverlichting .......................... 153
Cabriokapsysteem ......................... 153
Dakbekleding ................................. 153
Display ............................................ 153
Exterieur ......................................... 151
Hogedrukreiniger .......................... 151
Interieur .......................................... 153
Trefwoordenregister 17
Pagina: 19
Interieur reinigen .......................... 153
Interieurhemel reinigen (smart
fortwo coupé) .................................. 155
Kunststof bekleding ...................... 154
Lak ................................................... 153
Met de hand wassen ...................... 151
Ruiten .............................................. 152
Ruitenwisserbladen ...................... 152
Sensoren ......................................... 152
Sierelementen ................................ 155
Stoelbekleding ............................... 154
Stuurwiel ........................................ 154
Uitlaatsierstuk ............................... 152
Veiligheidsgordel .......................... 154
Versnellings- of keuzehendel ...... 154
Vloerbedekking .............................. 155
Wielen ............................................. 152
Vestiging
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Video
weergave (mediasysteem) ............ 119
VIN ......................................................... 196
Vloermat .................................................. 89
Voertuig
Buiten gebruik stellen .................. 155
Voertuigidentificatienummer
Zie VIN
Voertuigtypeplaatje ............................. 196
Volume
automatisch aanpassen ................ 101
instellen (audiosysteem) .............. 101
instellen (mediasysteem) ............. 110
Voorruit
Ontwasemen (airconditioning) ...... 85
Ontwasemen (automatische
temperatuurregeling) ..................... 86
Voorste afdekking
Zie Onderhoudsklep
Vorstwaarschuwing
Waarschuwingslampje (kleu-
rendisplay) ..................................... 192
Waarschuwingslampje (mono-
chroom display) ............................. 192
W
Waarden
instellen (kleurendisplay) .............. 97
instellen (monochroom display) .... 97
Waarschuwings- en controlelamp-
jes
ABS ................................................... 184
Accu ................................................. 192
Afstandswaarschuwingsfunc-
tie (rood) ......................................... 190
Bandenspanningscontrole ............ 186
Besturing ........................................ 189
EBD ................................................... 184
ESP® (geel) ...................................... 185
Koelvloeistof ................................... 179
Motordiagnose ................................ 178
oliedruk ........................................... 179
Overzicht .......................................... 31
Parkeerrem ..................................... 180
PASSENGER AIR BAG ........................ 38
PASSENGER AIRBAG OFF ................ 176
Remmen ........................................... 180
Spoorassistent ................................ 190
Start-stop-automaat (geel) .......... 180
Start-stop-automaat (groen) ....... 180
Veiligheidsgordel .......................... 175
Veiligheidssysteem ....................... 176
Waarschuwingslampje
Veiligheidsgordels ........................ 175
Wegrijblokkering .................................... 93
Wegrijden
Algemene aanwijzingen .................. 57
Hellingassistent .............................. 59
Wielen
Aanhaalmoment ............................. 145
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 142
Controle ........................................... 142
Opslaan ........................................... 146
Reinigen .......................................... 152
Sneeuwkettingen ........................... 149
Verwisselen van een wiel ............. 142
Wiel monteren ................................ 145
Wiel verwijderen ............................ 144
Winterbanden
M+S-banden ................................... 148
Z
Zekeringen
Aansluitschema ............................. 199
18 Trefwoordenregister
Pagina: 20
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ......................................... 170
Voor verwisseling .......................... 170
Zekeringenhouder in het dash-
board ............................................... 170
Zekeringenhouder openen ............ 170
Zender
Instellen (audiosysteem) .............. 102
Instellen (mediasysteem) ............. 112
opgeslagen zender instellen
(audiosysteem) ............................... 102
Opslaan (audiosysteem) ................ 102
Zenderlijst instellen (audiosys-
teem) ................................................ 102
Zenderlijst
actualiseren (mediasysteem) ....... 113
Zenderzoeken
Audiosysteem ................................. 102
Zendvergunningen
bandenspanningscontrole ............ 201
Zijrichtingaanwijzer
Lampje vervangen ......................... 168
Zijruiten
Anti-inklemfunctie ......................... 80
Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften ........................................... 80
Initialiseren ................................... 173
Openen en sluiten ............................ 81
Probleem (storing) ......................... 173
Zijtogen
Aanbrengen ...................................... 83
opbergen ........................................... 82
Opbergruimte sluiten ...................... 84
Verwijderen ...................................... 82
Zijwindassistent ..................................... 50
Zonneklep ................................................ 78
Trefwoordenregister 19
Pagina: 21
Milieubescherming
Algemene aanwijzingen
H Milieu-aanwijzing
Daimler AG is voorstander van een geïnte-
greerde milieubescherming.
Hierbij wordt gestreefd naar spaarzaam
gebruik van hulpbronnen en het ontzien
van de natuurlijke leefomstandigheden,
waarvan het behoud voor mens en natuur
van belang is.
Door op milieubewuste wijze gebruik te
maken van de auto ontziet u het milieu.
Het brandstofverbruik, alsmede de slijtage
van motor, versnellingsbak, remmen en
banden, zijn sterk afhankelijk van de vol-
gende factoren:
Rde bedrijfsomstandigheden van de auto
Ruw persoonlijke rijstijl.
Beide factoren kunt u beïnvloeden.
Daarom de volgende aanwijzingen in acht
nemen:
Bedrijfsomstandigheden
RHet rijden van korte afstanden vermij-
den; deze verhogen het brandstofver-
bruik.
RZorgdragen voor een correcte banden-
spanning.
RGeen onnodige ballast meenemen.
RHet brandstofverbruik controleren.
RDakdragers die niet meer nodig zijn, ver-
wijderen.
REen regelmatig onderhouden auto ont-
ziet het milieu. Daarom de onderhouds-
intervallen aanhouden.
ROnderhoudswerkzaamheden altijd bij
een gekwalificeerde werkplaats laten
uitvoeren, bijvoorbeeld bij een smart
center.
Uw persoonlijke rijstijl
RTijdens het starten geen gas geven.
RDe motor niet stationair laten warm-
draaien.
RAnticiperend rijden en voldoende
afstand houden ten opzichte van uw
voorligger.
RVeelvuldig en sterk accelereren vermij-
den.
RTijdig schakelen, indien mogelijk aan de
hand van de schakeladviespijlen op het
multifunctioneel display.
RZo vroeg mogelijk opschakelen.
RDe motor afzetten als het verkeer gedu-
rende langere tijd stilstaat.
Terugname van de oude auto
Alleen voor EU-landen:
smart neemt uw oude auto weer terug om
deze overeenkomstig de richtlijn autowrak-
ken van de Europese Unie (EU) milieuvrien-
delijk af te voeren.
Iedereen kan een waardevolle bijdrage leve-
ren aan het besparen van hulpbronnen, door
zijn auto af te laten voeren door een inza-
melpunt of een demontagebedrijf. Bij deze
bedrijven is het afvoeren vaak gratis.
Meer informatie over de recycling van oude
auto's, het afvoeren en de voorwaarden voor
de terugname krijgt u op de nationale smart
homepage.
smart originele onderdelen
H Milieu-aanwijzing
Daimler AG biedt gerecyclede ruilaggre-
gaten en -onderdelen aan van dezelfde
kwaliteit als nieuwe onderdelen. Hiervoor
geldt dezelfde aansprakelijkheid voor
gebreken als voor nieuwe onderdelen.
! In de volgende delen van de auto kunnen
van de auto kunnen airbags, gordelspan-
ners, regeleenheden en sensoren van deze
veiligheidssystemen ingebouwd zijn:
RPortieren
RPortierstijlen
RDorpels
RStoelen
20 >> Inleiding.
Pagina: 22
RCockpit
RInstrumentenpaneel
RMiddenconsole.
In deze gebieden geen accessoires, bij-
voorbeeld een audiosysteem, monteren.
Geen reparaties of laswerkzaamheden uit-
voeren. De functionaliteit van de veilig-
heidssystemen kan nadelig worden beïn-
vloed.
Als naderhand accessoires moeten worden
gemonteerd, dit laten uitvoeren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Er mogen alleen originele smart onderdelen,
of onderdelen van gelijkwaardige kwaliteit
worden gebruikt. Bovendien mogen alleen de
voor het betreffende type auto goedgekeurde
banden, wielen en accessoires worden
gebruikt.
Bij het bestellen van originele smart onder-
delen altijd het voertuigidentificatienum-
mer (VIN) vermelden.
Bij gebruik van onderdelen, banden en vel-
gen en veiligheidsrelevante accessoires, die
niet door smart zijn goedgekeurd, kan de
bedrijfsveiligheid van de auto in gevaar
komen. De werking van veiligheidsrelevante
systemen, bijvoorbeeld het remsysteem
kunnen gestoord worden.
smart controleert originele onderdelen en
voor de auto goedgekeurde ombouwdelen en
accessoires op hun betrouwbaarheid, veilig-
heid en geschiktheid. Van andere onderdelen
kan smart dit, ondanks voortdurende markt-
verkenningen, niet beoordelen. Ook als in
een enkel geval een goedkeuring door een
keuringsinstantie of officiële instantie aan-
wezig is, neemt smart geen verantwoorde-
lijkheid voor het gebruik in smart-auto's.
In Duitsland worden bepaalde onderdelen
alleen goedgekeurd voor in- of ombouw als
deze voldoen aan de geldende wettelijke
voorschriften. Dit geldt ook voor enkele
andere landen. Alle originele smart-onder-
delen voldoen aan de voorwaarden van de
goedkeuring. Niet goedgekeurde onderdelen
kunnen leiden tot het vervallen van de type-
goedkeuring.
In de volgende gevallen komt de typegoed-
keuring te vervallen:
RBij een wijziging van het in de typegoed-
keuring aangegeven type auto.
RBij een verwacht verhoogd risico voor ver-
keersdeelnemers.
RBij een negatieve invloed op de uitstoot
van uitlaatgassen of de geluidsproductie.
Garantie van het smart Audio-System
en het smart Media-System
De smart verkooporganisatie geeft op het
smart audiosysteem en het smart mediasys-
teem een garantie voor de duur van
24 maanden zonder kilometerbeperking.
Garantiegever is de betreffende dealerorga-
nisatie in het land waar het accessoire of het
vervangingsonderdeel is gekocht (zie de
tabel in het onderhoudsboekje).
Uitrusting van de auto
Deze handleiding beschrijft alle modellen en
standaard- en speciale uitrustingen van de
auto die op het tijdstip van de redactieslui-
ting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. Er moet rekening mee worden
gehouden, dat de uitrusting van de auto bij
enkele beschrijvingen en afbeeldingen kan
afwijken. Dit betreft ook veiligheidsrele-
vante systemen en functies.
In het originele koopcontract van de auto zijn
alle systemen in de auto vermeld. Bij vragen
over de uitrusting en de bediening kunt u bij
elke smart center terecht.
Bedrijfsveiligheid
Belangrijke veiligheidsaanwijzingen
G WAARSCHUWING
Als de voorgeschreven service- resp.
onderhoudswerkzaamheden of noodzake-
lijke reparaties niet worden uitgevoerd,
kan dit tot storingen in de werking of het
>> Inleiding. 21
Z
Pagina: 23
uitvallen van systemen leiden. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
De voorgeschreven service- resp. onder-
houdswerkzaamheden en noodzakelijke
reparaties altijd bij een gekwalificeerde
werkplaats laten uitvoeren.
G WAARSCHUWING
Als brandbaar materiaal, bijvoorbeeld bla-
deren, gras of takken, met hete delen van
het uitlaatsysteem in aanraking komen,
kunnen deze materialen vlam vatten. Er
bestaat brandgevaar!
Bij het rijden op onverharde wegen of in
hetterreinregelmatigdeonderzijdevande
auto controleren. In het bijzonder inge-
klemde delen van planten of ander brand-
baar materiaal verwijderen. Bij beschadi-
ging contact opnemen met een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
G WAARSCHUWING
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte-
greerde informatiesystemen en communi-
catieapparatuur bedient, kunt u van de
verkeerssituatie worden afgeleid. Boven-
dien kunt u de controle over de auto ver-
liezen. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat. Als u een vei-
lig gebruik niet kunt garanderen, de auto
op een veilige plaats tot stilstand brengen
en de bediening bij stilstaande auto uit-
voeren.
G Waarschuwing
Door wijzigingen aan elektronische onder-
delen, hun software en bedrading kan hun
werking en/of de werking van andere,
onderling verbonden onderdelen nadelig
beïnvloed worden. In het bijzonder kunnen
ook veiligheidsrelevante systemen betrof-
fen zijn. Daardoor kunnen deze niet meer
zoals bedoeld functioneren en/of kan de
bedrijfsveiligheid van het voertuig in
gevaar worden gebracht. Er bestaat ver-
hoogd gevaar voor letsel en ongevallen!
Geen ingrepen aan bedrading en elektro-
nische onderdelen en de software hiervan
uitvoeren. Werkzaamheden aan elektri-
sche en elektronische apparatuur altijd
laten uitvoeren door een gekwalificeerde
werkplaats.
Bij het gebruik van geïntegreerde informa-
tiesystemen en communicatieapparatuur de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het
land waar u zich op dat moment bevindt.
Bij wijzigingen aan de boordelektronica van
de auto vervalt de typegoedkeuring.
! De auto kan worden beschadigd als
Rdeze de grond raakt, bijvoorbeeld op een
hoge stoeprand of onverharde wegen
Rte snel over een obstakel wordt gereden,
bijvoorbeeld een stoeprand, verkeers-
drempel of een kuil in de weg.
Reen zwaar voorwerp tegen de bodem-
plaat of onderdelen van het onderstel
slaat
De carrosserie, de bodemplaat, onderdelen
van het onderstel, wielen of banden kun-
nen in dergelijke of vergelijkbare situaties
ook niet-zichtbaar worden beschadigd. Op
deze manier beschadigde onderdelen kun-
nen onverwacht uitvallen of de bij een
ongeval optredende belastingen niet meer
zoals bedoeld opnemen.
Als de bodembekleding beschadigd is, kan
zich brandbaar materiaal, bijvoorbeeld
bladeren, gras of takken, tussen de bodem-
plaat en bodembekleding verzamelen. Als
dit materiaal met hete onderdelen van het
uitlaatsysteem in contact komt, kan dit
ontsteken.
De auto in een dergelijk geval direct bij een
gekwalificeerde werkplaats laten contro-
leren en repareren. Wanneer u bij het
doorrijden een nadelige invloed op de rij-
veiligheid constateert, direct op een vei-
lige manier stoppen. In dit geval contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats.
Het multimedia-apparaat is met technische
maatregelen beschermd tegen diefstal. Meer
informatie daarover is verkrijgbaar bij elk
smart center.
22 >> Inleiding.
Pagina: 24
De werking van een dakantenne (radio, DAB)
kan worden beïnvloed door het gebruik van
dakdragers. Evenzo kan het aanbrengen van
folies met metaallaag op zijruiten de radio-
en GPS-ontvangst storen en een verslechte-
ring van de werking van alle andere anten-
nes in het interieur betekenen.
Conformiteitsverklaring
Radiografische onderdelen van de auto
De volgende aanwijzing is geldig voor alle
radiografische onderdelen van de auto en
voor alle in de auto geïntegreerde informa-
tiesystemen en communicatieapparatuur:
Alle radiografische onderdelen van de auto
en de in de auto geïntegreerde informatie-
systemen en communicatieapparatuur zijn
conform de basiseisen en de overige bepa-
lingen van de richtlijn 1999/5/EG. Meer infor-
matie daarover is verkrijgbaar bij elk smart
center.
Elektromagnetische verdraagzaamheid
De elektromagnetische verdraagzaamheid
van de onderdelen van de auto werd over-
eenkomstig de regeling ECE-R 10, in de actu-
eel geldende versie, gecontroleerd en bewe-
zen.
Diagnose-interface
De diagnose-interface dient voor het aan-
sluiten van diagnoseapparaten bij een
gekwalificeerde werkplaats.
G WAARSCHUWING
Als apparaten op een diagnose-interface
worden aangesloten, kan de werking van
systemen van de auto worden beïnvloed.
Daardoor kan de bedrijfsveiligheid van de
auto worden beïnvloed. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Alleen apparaten op de diagnose-interface
van de auto aansluiten die door Mercedes-
Benz voor uw auto zijn vrijgegeven.
G WAARSCHUWING
Voorwerpen in de beenruimte van de
bestuurder kunnen de slag van de pedalen
beperken of ingedrukte pedalen blokkeren.
Daardoor worden de bedrijfs- en verkeers-
veiligheid van de auto in gevaar gebracht.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Allevoorwerpenindeautoveiligopbergen,
zodat deze niet in de beenruimte van de
bestuurder kunnen belanden. Vloermatten
altijd stevig en volgens de handleiding
monteren om te allen tijde voldoende vrije
ruimte voor de pedalen te waarborgen.
Geen losse vloermatten gebruiken en niet
meerdere vloermatten op elkaar leggen.
! Als de motor is afgezet en een apparaat op
een diagnose-interface wordt gebruikt,
kan de accu worden ontladen.
Het aansluiten van apparaten op de dia-
gnose-interface kan ertoe leiden, dat
bijvoorbeeld informatie van de uitlaatgas-
bewaking wordt teruggezet. Daardoor
bestaat de mogelijkheid, dat de auto niet
meer voldoet aan de eisen van de volgende
uitlaatgasanalyse van de Algemene Perio-
dieke Keuring.
Gekwalificeerde werkplaats
Een gekwalificeerde werkplaats beschikt
over de benodigde vakkennis, uitrusting en
kwalificatie om de vereiste werkzaamheden
uit te voeren. Dit geldt in het bijzonder voor
veiligheidsrelevante werkzaamheden.
De aanwijzingen in het onderhoudsboekje in
acht nemen.
De volgende werkzaamheden aan de auto
altijd laten uitvoeren bij een smart center:
RVeiligheidsrelevante werkzaamheden
RService‑ en service-/onderhoudswerk-
zaamheden
RReparatiewerkzaamheden
RWijzigingen evenals in- en ombouwen
RWerkzaamheden aan elektronische onder-
delen
>> Inleiding. 23
Z
Pagina: 25
Registratie van de auto
Het kan voorkomen, dat smart zijn service-
werkplaatsen de instructie geeft, aan
bepaalde auto's technische inspecties uit te
voeren. Door deinspectiewordende kwaliteit
en de veiligheid van de auto verbeterd.
Alleen wanneer smart de registratiegege-
vens van een auto bezit, kan smart de eige-
naar informeren over de inspecties.
In de volgende gevallen kan het zijn, dat een
auto nog niet onder de naam van de eigenaar
geregistreerd is:
RDe auto is aangeschaft bij een niet geau-
toriseerde dealer.
RDe auto is nog niet bij een smart center
onderzocht.
smart adviseert de auto bij een smart center
te laten registreren.
Gaarne smart zo snel mogelijk informeren
over een adreswijziging of wisseling van
eigenaar. Dit is bijvoorbeeld bij een smart
center mogelijk.
Correct gebruik
Als de waarschuwingssticker wordt verwij-
derd, kunnen gevaren niet meer worden her-
kend. De waarschuwingsstickers op hun
plaats laten.
De volgende informatiebronnen gebruiken
bij gebruik van de auto:
Rde veiligheidsaanwijzingen in deze hand-
leiding
Rde technische gegevens in deze handlei-
ding
Rverkeersregels en -voorschriften
Rwegenverkeerswetten en veiligheidsstan-
daards
Aansprakelijkheid voor gebreken
! De aanwijzingen in deze gebruikshand-
leiding over het voorgeschreven gebruik
van uw auto en mogelijke voertuigschade
in acht nemen. Schades aan uw auto die
door verwijtbare schending van deze aan-
wijzingen ontstaan, worden noch door de
aansprakelijkheid voor gebreken van
smart, noch door de garantie op nieuwe of
gebruikte auto's gedekt.
QR-codes voor reddingskaart
In de tankdopklep en aan de tegenoverge-
stelde zijde op de portierstijl (B-stijl) zijn
QR-codes aangebracht. Bij een ongeval kun-
nen reddingsdiensten m.b.v de QR-codes
snel de overeenkomstige reddingskaart voor
een auto bepalen. De actuele reddingskaart
bevat in compacte vorm de belangrijkste
informatie overeenauto,bijvoorbeeld delig-
ging van de elektrische bedrading. Meer
informatie: www.mercedes-benz.de/qr-code
Opgeslagen data in de auto
Vele elektronische onderdelen van de auto
bevatten een gegevensopslag. Deze datage-
heugens slaan tijdelijk of permanent tech-
nische informatie op over onderdelen, sys-
temen of omgeving, m.b.t.:
Rtoestand
Rgebeurtenissen
Rstoringen
Bewegingsprofielen van gereden trajecten
kunnen uit deze gegevens niet worden afge-
leid.
Voorbeelden van opgeslagen informatie:
RGebruiksomstandigheden van systeem-
componenten, bijvoorbeeld niveaus
RStatusmeldingen van de auto en diens
componenten, bijvoorbeeld snelheid en
gaspedaalstand
RStoringen en defecten in belangrijke sys-
teemcomponenten, bijvoorbeeld verlich-
ting en remmen
RReacties en gebruiksomstandigheden van
de auto in specifieke rijsituaties,
bijvoorbeeld activeren van een airbag
ROmgevingstoestanden, bijvoorbeeld bui-
tentemperatuur
De gegevens zijn zuiver technisch van aard
en worden voor het volgende gebruikt:
ROndersteuning bij de herkenning en het
verhelpen van storingen en fouten
RAnalyse van voertuigfuncties, bijvoor-
beeld na een ongeval
ROptimalisatie van voertuigfuncties
Bovendien wordt deze technische informatie
uitgelezen voor de volgende servicewerk-
zaamheden:
24 >> Inleiding.
Pagina: 26
Rreparaties
Rserviceprocedures
Rgarantiekwesties
Rkwaliteitsbewaking
Het uitlezen gebeurt door medewerkers van
het servicenetwerk (inclusief de fabrikant)
met behulp van speciale diagnose-appara-
tuur. Daar kunt u indien gewenst meer infor-
matie krijgen.
Na het verhelpen van een storing wordt de
informatie uit het storingsgeheugen gewist
of permanent overschreven.
Bij het gebruik van de auto zijn situaties
denkbaar, waarin deze technische gegevens
in combinatie met andere informatie - even-
tueel met behulp van een specialist - terug te
voeren zijn op bepaalde personen.
Voorbeelden hiervan zijn:
Rprocessen-verbaal van ongevallen
Rschade aan de auto
Rgetuigenverklaringen
Diverse extra functies, die contractueel met
de klant zijn afgesproken, maken eveneens
het versturen van bepaalde gegevens vanuit
het voertuig mogelijk, bijvoorbeeld voor de
bepaling van de voertuiglocatie in geval van
nood.
Informatie inzake auteursrecht
Informatie over de licenties van gebruikte
Free- en OpenSource-software in de auto en
de elektronische onderdelen:
http://www.mercedes-benz.com/opensource
>> Inleiding. 25
Z
Pagina: 27
Cockpit
Functie Pag.
: Toerenteller, cockpitklok 65
; Combi-instrument 31
= Claxon
? Multifunctionele hendel
combi-instrument 95
Combischakelaar ruiten-
wissers 76
A Automatische vergrende-
ling 79
Alarmknipperlichtinstal-
latie 156
B Bedieningspaneel dakcon-
sole 29
C smart Audio-System 99
smart Media-System 107
Functie Pag.
D Bedieningseenheid tempe-
ratuurregelsysteem 84
E Contactslot 56
F Stuurwiel instellen 54
G Bedieningspaneel voor
Start-stop-automaat 59
Spoorassistent 69
Afstandswaarschuwings-
functie 49
Parkeerhulp 90
Koplampregeling 75
H Combischakelaar verlich-
ting 74
I Automatische transmissie:
Sschakelpaddles 63
26 Cockpit
>>
In
één
oogopslag.
Pagina: 28
Multifunctioneel stuurwiel
Functie Pag.
: Kleurendisplay van het
combi-instrument 95
Monochroom display van
het combi-instrument 94
; smart Audio-System 99
smart Media-System 107
= Alleen bij combi-instru-
ment met kleurendisplay:
WX Volume instellen 107
Spraakbediening in-
of uitschakelen en Gesprek
aannemen of beëindigen 107
? ® Actuele snelheid ver-
hogen of opslaan 71
− Actuele snelheid verla-
gen 71
Functie Pag.
A ° Laatst opgeslagen
snelheid oproepen 71
B ± Tempomat of limiter
onderbreken 71
C ¯ Tempomat activeren 71
^ TEMPOMAT of limiter
deactiveren 71
È Limiter activeren 71
D Alleen bij combi-instru-
ment met kleurendisplay:
9: In menu's blade-
ren 95
a Selectie bevestigen 97
Multifunctioneel stuurwiel 27
>>
In
één
oogopslag.
Pagina: 29
Middenconsole met schuiflade
i Auto's met automatische transmissie
Functie Pag.
: Bekerhouder 131
Asbak 88
; Schuiflade 131
= smart fortwo coupé: Mun-
tenhouder
= smart fortwo cabrio:
Cabriokap openen en slui-
ten 81
? Keuzehendel 61
A Parkeerrem 58
Functie Pag.
B Sigarettenaansteker 88
Contactdoos 89
C smart Media-System: Aux-
aansluiting, usb-aanslui-
ting en sd-kaartsleuf 107
D Bekerhouder 131
E Weergave van de keuze-
hendelstanden 61
F Rijprogramma instellen
(programmakeuzetoets) 62
28 Middenconsole met schuiflade
>>
In
één
oogopslag.
Pagina: 30
Bedieningspaneel dakconsole
Functie Pag.
: Linker leeslampje 76
; Interieurverlichting 76
= Rechter leeslampje 76
Functie Pag.
? Controlelampjes PASSEN-
GER AIRBAG 38
A Binnenspiegel 54
Bedieningspaneel dakconsole 29
>>
In
één
oogopslag.
Pagina: 31
Portierbedieningseenheid
Functie Pag.
: Portier openen 79
; Buitenspiegels instellen 55
Functie Pag.
= Zijruiten openen en sluiten 81
30 Portierbedieningseenheid
>>
In
één
oogopslag.
Pagina: 32
Weergaven op het combi-instrument en het display
Functie Pag.
: Snelheidsmeter
; Display
= Waarschuwings- en con-
trolelampjes
C Portieren of achterklep 174
7 Veiligheidsgordel 175
6 Veiligheidssysteem 176
ç Waarschuwing start-stop-
automaat 180
è Start-stop-automaat 180
; Motordiagnose 178
? Koelvloeistoftemperatuur 179
5 Oliedruk 179
J Remmen 180
! ABS 184
÷ ESP® 50
h Bandenspanningscontrole 186
D Stuurbekrachtiging 189
· Afstandswaarschuwing 190
Functie Pag.
^ Afstandswaarschuwings-
functie 190
à Spoorassistent 190
# Accu 192
R Mistachterlicht 75
O Mistlicht 75
K Grootlicht 74
L Dimlicht 74
T Standlicht 75
S Transmissie-elektronica 182
8 Brandstofreserve bereikt 178
¯ TEMPOMAT 191
È Limiter 191
Ò IJzelgevaar 192
b Remlichten 192
¯
°
Volgende onderhoudster-
mijn
183
Weergaven op het combi-instrument en het display 31
>>
In
één
oogopslag.
Pagina: 33
Veiligheid voor inzittenden
Veiligheidssysteem
Beschermingspotentieel van het veilig-
heidssysteem
Het veiligheidssysteem omvat:
RVeiligheidsgordelsysteem
RAirbags
Rkinderzitjesbevestigingssysteem
Rkinderzitjesbevestigingssysteem
Het veiligheidssysteem kan bij een ongeval:
RHet risico beperken dat inzittenden met
delen van het interieur in aanraking
komen.
RDe belastingen voor de inzittenden redu-
ceren.
Alleen een correct gedragen veiligheidsgor-
del kan zijn volledige beschermingspotenti-
eel behalen. Afhankelijk van de herkende
ongevalssituatie vormen gordelspanners en/
of airbags een aanvulling op de correct
gedragen veiligheidsgordel. De gordelspan-
ners en/of airbags worden niet bij elk onge-
val geactiveerd.
Om ervoor te zorgen dat het veiligheidssys-
teem adequaat beschermingspotentieel kan
bieden, moet elke inzittende:
Rde veiligheidsgordel correct dragen
Rzo rechtop mogelijk zitten, met de rug
tegen de rugleuning
Rindien mogelijk zo zitten dat de voeten op
de vloer staan
Rkleiner dan 1,50 m altijd in een voor smart
auto's geschikt aanvullend veiligheids-
systeem zijn beveiligd.
Geen enkel modern systeem kan echter ver-
wondingen en overlijden in elke ongevalssi-
tuatie volledig uitsluiten. Met name bieden
veiligheidsgordels en airbags in het alge-
meen geen bescherming tegen voorwerpen
die van buitenaf de auto binnendringen. Ook
het risico van verwondingen door de zich
activerende airbag kan niet volledig worden
uitgesloten.
Beperking van het beschermingspoten-
tieel van het veiligheidssysteem
G Waarschuwing
Door wijzigingen aan het veiligheidssys-
teem bestaat de kans dat dit niet meer cor-
rect functioneert. Het veiligheidssysteem
kan in dat geval de inzittenden niet meer
zoals bedoeld beschermen en bijvoorbeeld
bij een ongeval uitvallen of onverwacht
worden geactiveerd. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levens-
gevaar!
Nooit onderdelen van het veiligheidssys-
teem wijzigen. Geen ingrepen aan bedra-
ding en elektronische onderdelen en de
software hiervan uitvoeren.
Wanneer de auto moet worden aangepast aan
een persoon met een lichamelijke handicap,
wendt u zich dan tot een gekwalificeerde
werkplaats. smart adviseert om rijhulpsys-
temen te gebruiken die smart voor uw auto
heeft goedgekeurd.
Functionaliteit van het veiligheidssys-
teem
Bij ingeschakeld contact gaat het waarschu-
wingslampje veiligheidssysteem 6 tij-
dens de systeemzelftest branden. Deze dooft
uiterlijk enkele seconden na het starten van
de auto. De onderdelen van het veiligheids-
systeem zijn dan gereed voor gebruik.
Storing van het veiligheidssysteem
RBij ingeschakeld contact gaat het waar-
schuwingslampje veiligheidssysteem
6 niet branden.
RTijdens het rijden gaat het waarschu-
wingslampje veiligheidssysteem 6
continu of herhaaldelijk branden.
G WAARSCHUWING
Als het veiligheidssysteem een storing
vertoont, kunnen onderdelen van het vei-
ligheidssysteem abusievelijk worden
geactiveerd of kunnen deze bij een ongeval
niet zoals bedoeld in werking treden. Dat
kan bijvoorbeeld de gordelspanner of air-
32 Veiligheid voor inzittenden
>>
Veiligheid.
Pagina: 34
bag betreffen. Er bestaat een verhoogd
gevaar voor letsel of zelfs levensgevaar!
Het veiligheidssysteem direct bij een
gekwalificeerde werkplaats laten contro-
leren en repareren.
Werking van het veiligheidssysteem bij
een ongeval
De werking van het veiligheidssysteem is
afhankelijk van de bepaalde zwaarte van de
botsing en de verwachte aard van het onge-
val:
Rfrontale aanrijding
Raanrijding van achteren
RAanrijding van opzij
De activeringsdrempels voor de onderdelen
van het veiligheidssysteem worden bepaald
door het evalueren van de sensorwaarden die
op verschillende plaatsen in de auto worden
gemeten. Deze procedure heeft een anticipe-
rend karakter. De activering van de onder-
delen van het veiligheidssysteem moet tij-
dig, aan het begin van het ongeval, plaats-
vinden.
Factoren die pas na de aanrijding zichtbaar
of meetbaar zijn, hebben geen invloed op de
airbagactivering. Ze geven daarvoor ook
geen indicatie.
De auto kan behoorlijk worden vervormd
zonder dat een airbag wordt geactiveerd. Dit
is het geval als alleen relatief gemakkelijk
vervormbare delen worden geraakt en geen
grote vertraging van de auto wordt gehaald.
Omgekeerd kan een airbag worden geacti-
veerd, hoewel de auto slechts gering ver-
vormd is. Wanneer bijvoorbeeld zeer stijve
onderdelen van de auto, bijvoorbeeld langs-
dragers, worden getroffen, kan de vertraging
van de auto daardoor groot genoeg zijn.
De onderdelen van het veiligheidssysteem
kunnen onafhankelijk van elkaar worden
geactiveerd:
Onderdeel Herkende active-
ringssituatie
Gordelspanners Frontale aanrijding,
aanrijding van ach-
teren, aanrijding
van opzij
Bestuurdersairbag,
passagiersairbag
en kneebag
frontale aanrijding
Sidebag Aanrijding van opzij
G WAARSCHUWING
Na het activeren van een airbag zijn
onderdelen vandeairbagheet.Gevaarvoor
letsel!
Onderdelen van de airbag niet aanraken.
Een geactiveerde airbag direct laten ver-
vangen bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
i smart adviseert om de auto na een onge-
val naar een gekwalificeerde werkplaats te
laten slepen. Dit advies in het bijzonder
opvolgen nadat een gordelspanner of air-
bag is geactiveerd.
Als een gordelspanner of airbag wordt geac-
tiveerd, hoort u een knal en kan er poederstof
vrijkomen:
RDe knal heeft over het algemeen geen
negatieve gevolgen voor het gehoor.
RHet vrijkomende poederstof is in het alge-
meen niet schadelijk voor de gezondheid,
maar kan bij personen met astma of adem-
halingsmoeilijkheden kortstondige adem-
halingsmoeilijkheden veroorzaken.
Zodra u zonder gevaar kunt uitstappen,
moet u de auto direct verlaten of een zijruit
openen om ademhalingsmoeilijkheden te
voorkomen.
Veiligheid voor inzittenden 33
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 35
Veiligheidsgordels
Beschermingspotentieel van de veilig-
heidsgordel
De veiligheidsgordel voor aanvang van de rit
altijd correct omgespen. Alleen een correct
gedragen veiligheidsgordel kan zijn volle-
dige beschermingspotentieel behalen.
G WAARSCHUWING
Wanneer de veiligheidsgordel verkeerd is
omgegespt, kan deze niet meer zoals
bedoeld beschermen. Bovendien kan een
verkeerd omgegespte veiligheidsgordel
bijvoorbeeld bij een ongeval, bij remma-
noeuvres of abrupte richtingswijzigingen
verwondingen veroorzaken. Er bestaat een
verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
Altijd ervoor zorgen dat alle inzittenden de
veiligheidsgordel correct dragen en een
juiste zithouding hebben.
RDe veiligheidsgordel moet:
- niet verdraaid en strak tegen het
lichaam aanliggen.
- over het midden van de schouder en zo
diep mogelijk tegen de heup aan lopen.
RDe schoudergordel mag niet de hals raken
en ook niet onder de arm of achter de rug
worden doorgevoerd.
RDikke kleding vermijden, bijvoorbeeld een
winterjas.
RDe heupgordel indien mogelijk omlaag
tegen de heup aan drukken en met de
schoudergordel straktrekken. De heupgor-
del mag nooit over buik of onderlichaam
lopen.
RDe veiligheidsgordel mag nooit over
scherpe, spitse, schurende of breekbare
voorwerpen lopen.
RDe veiligheidsgordel altijd slechts voor
één persoon gebruiken. Nooit een baby of
een kind op de schoot van een inzittende
meenemen.
RNooit voorwerpen samen met een persoon
vastgespen. Voor het beveiligen van voor-
werpen, bagage of lading altijd de aanwij-
zingen en veiligheidsaanwijzingen met
betrekking tot beladen van de auto in acht
nemen (Y pagina 132).
Als een kind in de auto meerijdt, ook altijd de
aanwijzingen en veiligheidsaanwijzingen
bij kinderen in de auto in acht nemen
(Y pagina 38).
Beperking van het beschermingspoten-
tieel van de veiligheidsgordel
G WAARSCHUWING
Wanneer de rugleuning niet rechtop staat,
biedt de veiligheidsgordel niet de beoogde
beschermende werking. Bij een remma-
noeuvre of een ongeval kunt u in dit geval
onder de veiligheidsgordel doorglijden en
daarbij bijvoorbeeld letsel oplopen aan het
onderlichaam of de hals. Er bestaat een
verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
De stoel voor aanvang van de rit correct
instellen. Altijd erop letten dat de rugleu-
ning rechtop staat en de schoudergordel
over het midden van de schouder loopt.
G WAARSCHUWING
Personen kleiner dan 1,50 m kunnen de
veiligheidsgordel niet zonder geschikte
aanvullende veiligheidssystemen omges-
pen. Wanneer de veiligheidsgordel ver-
keerd is omgegespt, kan deze niet meer
zoals bedoeld beschermen. Bovendien kan
een verkeerd omgegespte veiligheidsgor-
del bijvoorbeeld bij een ongeval, bij rem-
manoeuvres of abrupte richtingswijzigin-
gen verwondingen veroorzaken. Er bestaat
een verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
Personen kleiner dan 1,50 m altijd in spe-
ciaal voor hen geschikte veiligheidssyste-
men beveiligen.
34 Veiligheid voor inzittenden
>>
Veiligheid.
Pagina: 36
G WAARSCHUWING
Veiligheidsgordels kunnen niet meer zoals
bedoeld beschermen, als
Rze beschadigd, gewijzigd, sterk vervuild,
gebleekt of gekleurd zijn
Rhet gordelslot beschadigd of sterk ver-
vuild is
Rwijzigingen aan de gordelspanners, gor-
delverankeringen of gordeloprolauto-
maten zijn uitgevoerd.
Veiligheidsgordels kunnen bij een ongeval
ook niet zichtbaar worden beschadigd, bij-
voorbeeld door glassplinters. Gewijzigde
of beschadigde veiligheidsgordels kunnen
scheuren of uitvallen, bijvoorbeeld bij een
ongeval. Gewijzigde gordelspanners kun-
nen ongewild worden geactiveerd of niet
zoals bedoeld werken. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levens-
gevaar!
De veiligheidsgordels, gordelspanners,
gordelverankeringen en gordeloprolauto-
maten nooit wijzigen. De veiligheidsgor-
dels moeten onbeschadigd, niet versleten
en schoon zijn; dit controleren. De veilig-
heidsgordels na een ongeval direct bij een
gekwalificeerde werkplaats laten contro-
leren.
smart adviseert om veiligheidsgordels te
gebruiken, die smart voor uw auto heeft
goedgekeurd.
G WAARSCHUWING
Pyrotechnisch reeds geactiveerde gordel-
spanners werken niet meer en kunnen
daarom niet meer zoals bedoeld bescher-
men. Er bestaat een verhoogd gevaar voor
letsel of zelfs levensgevaar!
De pyrotechnisch geactiveerde gordel-
spanners direct bij een gekwalificeerde
werkplaats laten vervangen.
smart adviseert om de auto na een ongeval
naar een gekwalificeerde werkplaats te laten
slepen.
! De veiligheidsgordel moet volledig
oprollen; dit controleren. Anders kunnen
de veiligheidsgordel of de gordelslottong
in het portier of het stoelmechanisme
bekneld raken. Hierdoor kunnen het por-
tier, de portierbekleding en de veilig-
heidsgordel worden beschadigd. Bescha-
digde veiligheidsgordels kunnen niet
meer hun beschermende werking uitvoe-
ren en moeten worden vervangen. Naar een
gekwalificeerde werkplaats gaan.
Veiligheidsgordel omgespen of afdoen
Als de veiligheidsgordel snel of met een ruk
naar buiten wordt getrokken, blokkeert de
gordeloprolautomaat. De gordelband kan
niet verder worden afgerold.
! De gordelslottong van de veiligheidsgor-
del niet in het gordelslot aan passagiers-
zijde steken als de passagiersstoel niet
bezet is. Anders kan de gordelspanner bij
een ongeval worden geactiveerd en moet
deze worden vervangen.
Voor het gemakkelijk omdoen wordt de vei-
ligheidsgordel aan de zijkant van de
bestuurdersstoel door de gordelgeleiding
geleid.
: Gordelslot
; Gordelslottong
X Omgespen: De gordelslottong ; van de
veiligheidsgordel altijd in het bij de zit-
plaats behorende gordelslot : vergren-
delen.
X Afdoen: De ontgrendelingsknop : in het
gordelslot indrukken en de veiligheids-
gordel met de gordelslottong ; terugge-
leiden.
Veiligheid voor inzittenden 35
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 37
Gordelwaarschuwing voor bestuurder en
passagier
Het waarschuwingslampje veiligheidsgordel
7 in het instrumentendisplay maakt u
erop attent, dat alle inzittenden de veilig-
heidsgordel correct moeten omgespen.
Bovendien kan een waarschuwingssignaal
klinken.
De gordelwaarschuwing dooft zodra de
bestuurder en de passagier de veiligheids-
gordel hebben omgegespt.
i Als op de passagiersstoel een ISOFIX- of
een i-Size-kinderzitjesbevestigingssys-
teem wordt gebruikt, waarbij het kind niet
met de veiligheidsgordel van de passa-
giersstoel is beveiligd, kan de gordelwaar-
schuwing worden geactiveerd. In dit geval
kan de gordelslottong van de veiligheids-
gordel in het gordelslot van de passagiers-
stoel worden gestoken. Daarbij de veilig-
heidsgordel tussen het ISOFIX- of het i-
Size-kinderzitjesbevestigingssysteem en
de rugleuning van de passagiersstoel
doorvoeren.bevestigingssysteems
Airbags
Overzicht van de airbags
De inbouwplaats van een airbag is herken-
baar aan het opschrift AIRBAG.
Een airbag kan bij activering het bescher-
mingspotentieel voor de betreffende inzit-
tende vergroten.
Airbag Mogelijk bescher-
mingspotentieel voor
…
: Kneebag Bovenbeen, knie en
onderbeen
; Bestuur-
dersairbag
Hoofd en borstkas
= Passagiers-
airbag
Hoofd en borstkas
? Sidebag Hoofd en borstkas
Alleen als het controlelampje PASSENGER AIR
BAG ON brandt, kan de passagiersairbag bij
een ongeval worden geactiveerd. Bij een
bezette passagiersstoel voor en ook tijdens
het rijden de werking van de passagiersair-
bag niet in gevaar brengen (Y pagina 38).
Beschermingspotentieel van de airbags
Afhankelijk van de ongevalssituatie kan een
airbag in combinatie met een correct gedra-
gen veiligheidsgordel het beschermingspo-
tentieel vergroten.
G Waarschuwing
Als wordt afgeweken van de correcte zit-
houding, kan de airbag niet meer zoals
bedoeld beschermen en door het activeren
extra verwondingen veroorzaken. Er
bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
Om risico's te vermijden, altijd controleren
dat alle inzittenden:
Rde veiligheidsgordel correct omgespen,
ook zwangere vrouwen
Rcorrect zitten en de grootst mogelijke
afstand tot de airbags aanhouden
Rde volgende aanwijzingen in acht
nemen.
Er altijd voor zorgen dat zich geen voor-
werpen tussen de airbag en de inzittende
bevinden.
36 Veiligheid voor inzittenden
>>
Veiligheid.
Pagina: 38
Om risico's door het activeren van airbag te
vermijden:
RDe stoelen voor aanvang van de rit correct
instellen, de bestuurders- en passagiers-
stoel zo ver mogelijk naar achteren.
Daarbij altijd de informatie over de cor-
recte stand van de bestuurdersstoel in
acht nemen (Y pagina 52).
RHet stuurwiel alleen aan de stuurwielrand
vasthouden. Op deze wijze kan de airbag
ongehinderd worden opgeblazen.
RTijdens het rijden altijd tegen de rugleu-
ning leunen. Niet naar voren buigen en
niet tegen het portier of de zijruit leunen.
Anders bevindt u zich in het ontplooiings-
gebied van de airbags.
RDe voeten moeten zich altijd op de vloer
bevinden. Uw voeten bijvoorbeeld niet op
de cockpit leggen. Anders bevinden uw
voeten zich in het ontplooiingsgebied van
de airbag.
RWanneer kinderen in de auto worden mee-
genomen, de aanvullende aanwijzingen in
acht nemen (Y pagina 38).
RVoorwerpen altijd correct opbergen en
beveiligen.
Voorwerpen in het interieur kunnen het cor-
rect functioneren van een airbag in gevaar
brengen. Daarom altijd veiligstellen dat:
Rzich geen andere personen, dieren of voor-
werpen tussen de inzittenden en een air-
bag bevinden.
Rgeen voorwerpen tussen de stoel en het
portier en de portierstijl (B-stijl) liggen.
Rgeen harde voorwerpen zoals kledinghan-
gers aan handgrepen of kledinghaken
hangen.
Rgeen accessoires zoals bekerhouders in
het ontplooiingsgebied van een airbag zijn
aangebracht, bijvoorbeeld aan portieren,
zijruiten of zijbekledingen.
Rer geen zware, scherpe of breekbare voor-
werpen in de zakken van uw kledingstuk-
ken aanwezig zijn. Dergelijke voorwerpen
op een geschikte plaats opbergen.
Beperking van het beschermingspoten-
tieel van de airbags
G WAARSCHUWING
Als een airbagafdekking wordt gewijzigd
of als voorwerpen, bijvoorbeeld ook stic-
kers, daarop worden aangebracht, kan de
airbag niet meer zoals bedoeld functione-
ren. Er bestaat verhoogd gevaar voor let-
sel!
Een airbagafdekking nooit wijzigen en
geen voorwerpen erop aanbrengen.
G WAARSCHUWING
Ongeschikte stoelhoezen kunnen het
opblazen van de in de stoelen geïnte-
greerde airbags belemmeren of zelfs ver-
hinderen. De airbags kunnen de inzitten-
den dan niet meer zoals bedoeld bescher-
men. Er bestaat een verhoogd gevaar voor
letsel of zelfs levensgevaar!
Alleen stoelhoezen gebruiken, die smart
voor de betreffende stoel heeft goedge-
keurd.
G WAARSCHUWING
In de portieren bevinden zich sensoren
voor de aansturing van airbags. Door ver-
anderingen of ondeskundig uitgevoerde
werkzaamheden aan portieren of portier-
bekledingen en door beschadigde portie-
ren kan de werking van de sensoren ver-
stoord zijn. Daardoor kan de werking van
de airbags worden belemmerd. De airbags
kunnen de inzittenden dan niet meer zoals
bedoeld beschermen. Er bestaat verhoogd
gevaar voor letsel!
Nooit de deuren of delen daarvan veran-
deren. Werkzaamheden aan portieren of
portierbekledingen laten uitvoeren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
G WAARSCHUWING
Een reeds geactiveerde airbag biedt geen
beschermende werking meer en kan bij een
ongeval niet meer zoals bedoeld bescher-
Veiligheid voor inzittenden 37
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 39
men. Er bestaat verhoogd gevaar voor let-
sel!
De auto naar een gekwalificeerde werk-
plaats laten slepen om een geactiveerde
airbag te laten vervangen.
Geactiveerde airbags direct laten vervangen.
Status van de passagiersairbag
Controlelampje PASSENGER AIR BAG
De passagiersairbag kan met de Airbag-Off-
schakelaar in het instrumentenpaneel aan
passagierszijde worden uit- of ingeschakeld
(Y pagina 42).
De controlelampjes PASSENGER AIR BAG OFF
en PASSENGER AIR BAG ON zijn onderdeel van
de airbaguitschakeling van de passagiers-
airbag.
De controlelampjes tonen de status van de
passagiersairbag.
RPASSENGER AIR BAG OFF brandt: De pas-
sagiersairbag is uitgeschakeld. Hij wordt
bij een ongeval niet geactiveerd.
RPASSENGER AIR BAG ON brandt: De passa-
giersairbag is ingeschakeld. De passa-
giersairbag kan tijdens een ongeval geac-
tiveerd worden.
Voor en ook tijdens het rijden en afhankelijk
van de situatie de werking van de passa-
giersairbag niet in gevaar brengen.
RKind in kinderzitje: Of de passagiersairbag
uit- of ingeschakeld moet zijn, is afhan-
kelijk van het gemonteerde kinderzitje en
de leeftijd en lengte van het kind. Beslist
de aanwijzingen bij "Kinderen in de auto"
(Y pagina 38) in acht nemen. Daar vindt u
ook informatie over naar achteren- of naar
voren gerichte kinderzitjes op de passa-
giersstoel.
RAlle anderen: Het controlelampje PASSEN-
GER AIR BAG ON moet branden. De passa-
giersairbag is ingeschakeld. Beslist de
aanwijzingen m.b.t. "Veiligheidsgordels"
(Y pagina 34) en "Airbags" in acht nemen
(Y pagina 36). Daar vindt u ook informatie
over de correcte zitpositie.
De informatie over de airbaguitschakeling
van de passagiersairbag in acht nemen
(Y pagina 42).
Kinderen in de auto
Kinderen veilig meenemen
G WAARSCHUWING
Als kinderen zonder toezicht in de auto
worden achtergelaten, kunnen ze de auto
in beweging zetten door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit par-
keerstand P te schakelen of de handge-
schakelde versnellingsbak in de neu-
traalstand te zetten
Rde motor te starten.
Tevens kunnen ze de uitrusting van de
auto bedienen en bekneld raken. Er bestaat
gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleu-
tel meenemen en de auto vergrendelen.
Kinderen nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten.
G Waarschuwing
Als personen – in het bijzonder kinderen –
langdurig aan hoge of lage temperaturen
worden blootgesteld, bestaat gevaar voor
letsel of zelfs levensgevaar! Personen – in
het bijzonder kinderen – nooit zonder toe-
zicht in het voertuig achterlaten.
G Waarschuwing
Als het kinderzitje aan directe zonnestra-
ling wordt blootgesteld, kunnen onderde-
len hiervan zeer heet worden. Kinderen
38 Kinderen in de auto
>>
Veiligheid.
Pagina: 40
kunnen zich aan deze onderdelen branden,
in het bijzonder aan metalen onderdelen
van het kinderzitje. Gevaar voor letsel!
Als het voertuig met het kind wordt verla-
ten, altijd erop letten dat het kinderzitje
niet aan directe zonnestraling wordt
blootgesteld. Het kinderzitje bijvoorbeeld
met een deken afdekken. Als het kinder-
zitje aan directe zonnestraling is blootge-
steld, dit laten afkoelen voordat het kind
erin wordt gezet. Kinderen nooit zonder
toezicht in het voertuig achterlaten.
smart adviseert voor een betere bescherming
van kinderen jonger dan 12 jaar en kleiner
dan 1,50 m de volgende aanwijzingen beslist
in acht te nemen:
RKinderen alleen in een voor smart auto's
geschikt kinderzitjesbevestigingssys-
teem beveiligen dat past bij de leeftijd, het
gewicht en de lengte van het kind. Daarbij
beslist de gebruiksmogelijkheden van het
kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
RAlleen de volgende bevestigingssystemen
voor kinderzitjesbevestigingssystemen
gebruiken:
- het veiligheidsgordelsysteem
- de ISOFIX- of i-Size bevestigingsbeu-
gels
- de Top Tether-verankeringen
RDe montagehandleiding van de fabrikant
van het kinderzitjesbevestigingssysteem.
RDe waarschuwingsstickers in het interieur
van de auto en op het kinderzitjesbeves-
tigingssysteem.
G Waarschuwing
Als het kinderzitje verkeerd op de hiervoor
geschikte zitplaats wordt gemonteerd, kan
het niet zoals bedoeld beschermen. Het
kind kan dan bij een ongeval, remmanoeu-
vres of abrupte richtingswijzigingen niet
worden tegengehouden. Er bestaat een
verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
Beslist de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitje en de
gebruiksmogelijkheden in acht nemen. Het
gehele draagvlak van het kinderzitje moet
altijd op de zitting van de stoel rusten.
Nooit voorwerpen, zoals een kussen, onder
of achter het kinderzitje leggen. Gebruik
kinderzitjes alleen met de aanwezige ori-
ginele hoezen. Beschadigde hoezen uit-
sluitend vervangen door originele hoezen.
G WAARSCHUWING
Als het kinderzitje verkeerd of niet vast-
gezet is, kan het bij een ongeval, een rem-
manoeuvre of een plotselinge richtings-
wijziging loskomen. Het kinderzitje kan
rondslingeren en inzittenden raken. Er
bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
Ook niet-gebruikte kinderzitjes altijd cor-
rect monteren. Beslist de montagevoor-
schriften van de kinderzitjefabrikant
opvolgen.
G Waarschuwing
Beschadigde of bij een ongeval belaste
kinderzitjes of de bevestigingssystemen
hiervan kunnen niet meer zoals bedoeld
beschermen. Het kind kan dan bij een
ongeval, remmanoeuvres of abrupte rich-
tingswijzigingen niet worden tegenge-
houden. Er bestaat een verhoogd gevaar
voor letsel of zelfs levensgevaar!
Beschadigde of bij een ongeval belaste
kinderzitjes direct vervangen. De bevesti-
gingssystemen van de kinderzitjes bij een
gekwalificeerde werkplaats laten contro-
leren, voordat weer een kinderzitje wordt
gemonteerd.
i Voor het reinigen van de door smart
geadviseerde kinderzitjesbevestigings-
systemen verzorgingsmiddelen van smart
gebruiken. Meer informatie is verkrijgbaar
bij een gekwalificeerde werkplaats.
Ook beslist de volgende aanvullende infor-
matie in acht nemen:
RBij montage van een kinderzitjesbevesti-
gingssysteem op de passagiersstoel de
aanwijzingen met betrekking tot kinder-
Kinderen in de auto 39
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 41
zitjesbevestigingssystemen op de passa-
giersstoel in acht nemen (Y pagina 43).
RDe aanwijzingen met betrekking tot de
bevestiging van geschikte kinderzitjesbe-
vestigingssystemen (Y pagina 44).
RDe aanwijzingen met betrekking tot de
geadviseerde kinderzitjesbevestigings-
systemen (Y pagina 47).
RDe aanwijzingen en veiligheidsaanwijzin-
gen voor het uit- en inschakelen van de
passagiersairbag (Y pagina 42).
RDeaanwijzingenmetbetrekkingtotdevei-
ligheidsgordels (Y pagina 34).
ISOFIX- en i-Size-kinderzitjesveran-
keringen
Aanwijzingen met betrekking tot de
ISOFIX- en i-Size-kinderzitjebevesti-
gingen
G WARNING
ISOFIX-kinderzitjes of i-Size-kinderzitjes
bieden onvoldoende bescherming voor
kinderen met een gewicht van meer dan
22 kg, die met de geïntegreerde veilig-
heidsgordel van het kinderzitje zijn bevei-
ligd. Het kind kan anders bijvoorbeeld bij
een ongeval niet worden tegengehouden.
Er bestaat een verhoogd gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
Als het kind meer dan 22 kg weegt, alleen
ISOFIX-kinderzitjes of i-Size-kinderzitjes
gebruiken waarbij het kind met de veilig-
heidsgordel van de zitplaats wordt bevei-
ligd. Het ISOFIX-kinderzitje tevens, voor
zover aanwezig, met de Top Tether-gordel
vastzetten.
Beslist de gebruiksmogelijkheden van het
kinderzitjesbevestigingssysteem en de
montage- en gebruikshandleiding van de
fabrikant van het gebruikte kinderzitjesbe-
vestigingssysteem in acht nemen.
ISOFIX en i-Size zijn genormeerde veilig-
heidssystemen voor speciale kinderzitjes-
bevestigingssystemen. ISOFIX-kinderzit-
jesbevestigingssystemen zijn volgens ECE
R44 goedgekeurd. i-Size-kinderzitjesbeves-
tigingssystemenzijnvolgensECER129goed-
gekeurd.
Aan de ISOFIX-bevestigingsbeugels mogen
alleen kinderzitjesbevestigingssystemen
worden bevestigd die aan de ECE R44 norm
voldoen. Aan de i-Size-bevestigingsbeugels
kunnen ISOFIX-kinderzitjesbevestigings-
systemen, die volgens ECE R44, en i-Size-
kinderzitjesbevestigingssystemen, die vol-
gens ECE R129 goedgekeurd zijn, worden
bevestigd.
Als op de passagiersstoel een ISOFIX- of een
i-Size-kinderzitjesbevestigingssysteem
wordt gebruikt, waarbij het kind niet met de
veiligheidsgordel van de passagiersstoel is
beveiligd, kan de gordelwaarschuwing wor-
den geactiveerd (Y pagina 36).
In dit geval als volgt te werk gaan, om de
gordelwaarschuwing voor de passagier uit te
schakelen:
X De gordelslottong in het gordelslot steken,
alvorens het kinderzitjesbevestigings-
systeem op de passagiersstoel te monte-
ren.
X Vervolgens het ISOFIX-kinderzitjesbeves-
tigingsysteem op de passagiersstoel waar
de veiligheidsgordel is omgegespt aan-
brengen.
Erop letten dat de veiligheidsgordel niet
wordt beschadigd.
Symbool voor ISOFIX-kinderzitjesverankering
40 Kinderen in de auto
>>
Veiligheid.
Pagina: 42
Symbool voor i-Size kinderzitjebevestiging
ISOFIX- en i-Size-kinderzitjebevesti-
gingen monteren
Beslist de gebruiksmogelijkheden van het
kinderzitjesbevestigingssysteem en de
montage- en gebruikshandleiding van de
fabrikant van het gebruikte kinderzitjesbe-
vestigingssysteem in acht nemen.
Voor iedere rit beslist controleren, dat het
ISOFIX- of het i-Size-kinderzitjesbevesti-
gingssysteem correct in beide ISOFIX- of i-
Size-bevestigingsbeugels vergrendeld is.
X Het ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsys-
teem aan beide ISOFIX-bevestigingsbeu-
gels : of i-Size-bevestigingsbeugels ;
bevestigen.
of
X Het i‑Size-kinderzitjesbevestigingssys-
teem of het ISOFIX-kinderzitjesbevestig-
ingsysteem aan beide i‑Size-bevesti-
gingsbeugels ; bevestigen.
Top Tether bevestigen
Het gevaar voor letsel kan door Top Tether
worden beperkt, omdat het een extra verbin-
ding tussen het met ISOFIX bevestigde kin-
derzitjesbevestigingssysteem en de auto
mogelijk maakt.
Het kinderzitjesbevestigingssysteem moet
met een Top Tether-gordel uitgerust zijn.
De Top Tether-verankering ; is op de bodem
van de bagageruimte aangebracht.
X Het ISOFIX- of i-Size-kinderzitjesbevesti-
gingssysteem met Top Tether monteren.
Daarbij altijd de montagehandleiding van
de fabrikant van het kinderzitjesbevesti-
gingssysteem in acht nemen.
X De Top Tether-gordel ? indien mogelijk in
het midden over de hoofdsteun naar ach-
Kinderen in de auto 41
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 43
teren door de lus : in de bagageruimte
geleiden.
X De Top Tether-haak = van de Top Tether-
gordel ? in de Top Tether-verankering ;
bevestigen.
Eventueel de vloerbedekking iets optillen.
Erop letten, dat:
RDe Top Tether-haak =, zoals afgebeeld,
in de Top Tether-verankering ; is
bevestigd
RDe Top Tether-gordel ? niet verdraaid
is.
X De Top Tether gordel ? spannen. Daarbij
altijd de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitjesbevesti-
gingssysteem in acht nemen.
Passagiersairbag uit- of inschakelen
G WAARSCHUWING
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF brandt, is de passagiersairbag uitge-
schakeld. Hij wordt bij een ongeval niet
geactiveerd en kan niet meer zoals bedoeld
beschermen. Een persoon op de passa-
giersstoel kan dan bijvoorbeeld met
onderdelen van het interieur in contact
komen, in het bijzonder als deze dicht op
het dashboard zit. Er bestaat een verhoogd
gevaar voor letsel of zelfs levensgevaar!
In dit geval mag geen persoon de passa-
giersstoel gebruiken. Op de passagiers-
stoel mag uitsluitend een kind worden ver-
voerd, als het in een geschikt naar achte-
ren of naar voren gericht kinderzitje zit.
Daarbij altijd de informatie in deze hand-
leiding over de correcte plaatsing van het
kinderzitje in acht nemen, evenals de mon-
tagehandleiding van de fabrikant van het
kinderzitje.
G WAARSCHUWING
Als een kind in een naar achteren gericht
kinderzitje op de passagiersstoel wordt
beveiligd en het controlelampje PASSEN-
GER AIR BAG ON brandt, kan de passagiers-
airbag bij een ongeval worden geactiveerd.
Het kind kan door de airbag worden
geraakt. Er bestaat een verhoogd gevaar
voor letsel of zelfs levensgevaar!
In dit geval altijd waarborgen, dat de pas-
sagiersairbag uitgeschakeld is. Het con-
trolelampje PASSENGER AIR BAG OFF moet
branden.
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF gedoofd blijft en/of het controlelampje
PASSENGER AIR BAG ON brandt, geen naar
achteren gericht kinderzitjesbevestigings-
systeem op de passagiersstoel monteren.
Meer informatie vindt u onder "Problemen
met de uitschakeling van de passagiersair-
bag" (Y pagina 176).
G WAARSCHUWING
Als een kind in een naar voren gericht kin-
derzitje op de passagiersstoel wordt
beveiligd en de passagiersstoel te dicht bij
het dashboard wordt geplaatst, kan het
kind bij een ongeval:
Rbijvoorbeeld met onderdelen van het
interieur in contact komen, als het con-
trolelampje PASSENGER AIR BAG OFF
brandt
Rdoor de airbag wordt geraakt als het
controlelampje PASSENGER AIR BAG ON
brandt.
Er bestaat een verhoogd gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
De passagiersstoel altijd zo ver mogelijk
naar achteren schuiven. Daarbij altijd de
correcte ligging van de schoudergordel
vanaf de gordelgeleiding van de auto naar
de schoudergordelgeleiding van het kin-
derzitje in acht nemen. De schoudergor-
delband moet vanuit de gordelgeleiding
naar voren en omlaag verlopen. Naar
behoefte de passagiersstoel overeenkom-
stig instellen. Ook altijd de informatie in
deze handleiding over de correcte plaat-
sing van het kinderzitje in acht nemen,
evenals de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitje.
42 Kinderen in de auto
>>
Veiligheid.
Pagina: 44
Waarschuwingssymbool voor een naar achte-
ren gericht kinderzitjesbevestigingssysteem
Wanneer een naar achteren gericht kinder-
zitjesbevestigingssysteem op de passa-
giersstoel wordt gebruikt, moet de passa-
giersairbag worden uitgeschakeld.
De airbag off-schakelaar : voor het hand-
matig in- en uitschakelen van de passa-
giersairbag bevindt zich op het dashboard
aan passagierszijde.
X De passagiersairbag off-schakelaar :
door de weerstand indrukken.
X Passagiersairbag uitschakelen: De airbag
off-schakelaar : linksom draaien.
Het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF 4 in het bedieningspaneel dakcon-
sole gaat branden en brandt permanent bij
ingeschakeld contact (Y pagina 38).
X Passagiersairbag inschakelen: De airbag
off-schakelaar : rechtsom draaien.
Het controlelampje PASSENGER AIR BAG ON
× in het bedieningspaneel dakconsole
gaat branden en brandt permanent bij
ingeschakeld contact (Y pagina 38).
De passagiersairbag is bij ingeschakeld con-
tact altijd geactiveerd, behalve wanneer de
passagiersairbag handmatig is uitgescha-
keld. Als de passagiersairbag uitgeschakeld
is, brandt het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF 4 in het bedieningspaneel dak-
console (Y pagina 38) permanent bij inge-
schakeld contact.
Kinderzitjesbevestigingssysteem op
de passagiersstoel
Aanwijzingen met betrekking tot kinder-
zitjesbevestigingssystemen
Als een kind in een kinderzitjesbevesti-
gingssysteem op de passagiersstoel wordt
beveiligd, ook altijd de aanwijzingen bij
"Uitschakelen van de passagiersairbag"
(Y pagina 42) in acht nemen.
U vermijdt risico's wanneer u:
Rde passagiersairbag correct in- of uit-
schakelt.
Rhet kinderzitjesbevestigingssysteem cor-
rect plaatst.
Op de zonneklep aan passagierszijde bevindt
zich een waarschuwingsaanwijzing.
G WAARSCHUWING
Als een kind in een kinderzitje op de pas-
sagiersstoel wordt beveiligd en het en is
gedoofd, kan de passagiersairbag bij een
ongeval worden geactiveerd. Het kind kan
door de airbag worden geraakt. Er bestaat
een verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
In dit geval altijd waarborgen, dat de pas-
sagiersairbag uitgeschakeld is. Het con-
trolelampje PASSENGER AIR BAG OFF moet
branden.
Kinderen in de auto 43
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 45
Gebruik NOOIT een naar achteren gericht
kinderbeveiligingssysteem op een stoel die
door een frontale ACTIEVE AIRBAG wordt
beveiligd, want dat kan voor het KIND DODE-
LIJKE of ERNSTIGE VERWONDINGEN tot
gevolg hebben.
Aanwijzingen met betrekking tot naar
achteren en naar voren gerichte kinder-
zitjesbevestigingssystemen
Waarschuwingssymbool voor een naar achte-
ren gericht kinderzitjesbevestigingssysteem
Als een kind in een naar achteren gericht
kinderzitjesbevestigingssysteem op de pas-
sagiersstoel wordt beveiligd, moet te allen
tijde gewaarborgd zijn dat de passagiersair-
bag is uitgeschakeld. Dit is alleen het geval
als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF continu brandt (Y pagina 38).
Bij gebruik van een kinderzitjesbevesti-
gingssysteem op de passagiersstoel beslist
de volgende punten in acht nemen:
RDe passagiersstoel zo ver mogelijk naar
achteren schuiven.
RHet draagvlak van het kinderzitjesbeves-
tigingssysteem moet volledig op de zitting
van de passagiersstoel rusten.
RDe leuning van een naar voren gericht kin-
derzitjesbevestigingssysteem moet zo
volledig mogelijk tegen de rugleuning van
de passagiersstoel aan liggen. Het kinder-
zitjesbevestigingssysteem mag niet het
dak raken of door de hoofdsteun worden
belast.
RDe hoek van de rugleuning overeenkomstig
aanpassen.
RAltijd de correcte ligging van de schou-
dergordel vanaf de gordeldoorvoeropening
van de auto naar de schoudergordelgelei-
ding van het kinderzitjesbevestigings-
systeem in acht nemen. De schoudergor-
delband moet vanaf de gordeldoorvoer-
opening naar voren en naar achteren ver-
lopen.
RNooit voorwerpen, zoals een kussen, onder
of achter het kinderzitjesbevestigings-
systeem leggen.
Beslist de montage- en gebruikshandleiding
van de fabrikant van het gebruikte kinder-
zitjesbevestigingssysteem in acht nemen.
Geschiktheid van de zitplaatsen voor
kinderzitjesbevestigingssystemen
Aanwijzingen met betrekking tot de
bevestiging van geschikte kinderzitjes-
bevestigingssystemen
In de auto mogen alleen kinderzitjesbeves-
tigingssystemen volgens deze ECE-normen
worden gebruikt:
RECE R44
RECE R129 (i-Size-kinderzitjesbevesti-
gingssystemen)
Alleen geschikt voor gebruik in de genoemde
auto's, die zijn uitgerust met goedgekeurde
driepuntsveiligheidsgordels volgens de ECE
regeling nr. 16 of een gelijkwaardige stan-
daard.
Label voor kinderzitjesbevestigingssystemen
volgens ECE R44
44 Kinderen in de auto
>>
Veiligheid.
Pagina: 46
Label voor kinderzitjesbevestigingssystemen
volgens ECE R129
ISOFIX- of i-Size-kinderzitjesbevestigings-
systemen van de volgende categorie "Uni-
versal" kunnen overeenkomstig de tabellen
met betrekking tot de geschiktheid van de
zitplaatsen voor de bevestiging van kinder-
zitjesbevestigingssystemen op de met U, UF,
IUF of i-U gekenmerkte zitplaatsen worden
gebruikt.
Semi-universele kinderzitjesbevestigings-
systemen zijn herkenbaar aan het goedkeu-
ringslabel met de tekst "semi-universal".
Deze mogen alleen worden gebruikt als de
auto en de zitplaats in de autotypelijst van
de fabrikant van het kinderzitjesbevesti-
gingssysteem zijn aangegeven.
Geschiktheid van zitplaatsen voor de bevestiging van kinderzitjesbevestigingssys-
temen die met autogordels worden vastgezet
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
RBij bepaalde kinderzitjesbevestigingssystemen van de gewichtsgroepen II of III kan het
gebeuren dat het kinderzitjesbevestigingssysteem niet op de maximumgrootte kan worden
ingesteld, bijvoorbeeld door mogelijk contact met het dak.
RHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag niet het dak raken of door de hoofdsteun worden
belast.
RDe montagehandleiding van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
Legenda bij de tabel:
RX: Niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
RU: Geschikt voor kinderzitjesbevestigingssysteem van de categorie "Universal" in deze
gewichtsgroep.
RUF: Geschikt voor naar voren gerichte kinderzitjesbevestigingssysteem van de categorie
"Universal" in deze gewichtsgroep.
RL: Geschikt voor semi-universeel kinderzitjesbevestigingssysteem overeenkomstig de
tabel in "Overzicht van de geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen"
(Y pagina 47) of als de auto en de zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het
kinderzitjesbevestigingssysteem zijn vermeld.
Gewichtsgroepen Passagiersairbag is inge-
schakeld
Passagiersairbag is uitge-
schakeld1
Groep 0: tot 10 kg X U, L
Groep 0+: tot 13 kg X U, L
Groep I: 9 tot 18 kg UF, L U, L
Groep II: 15 tot 25 kg UF, L U, L
Groep III: 22 tot 36 kg U, L U, L
1 De auto is uitgerust met passagiersairbaguitschakeling. Het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF
moet branden.
Kinderen in de auto 45
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 47
Geschiktheid van zitplaatsen voor bevestiging van een ISOFIX-kinderzitjesbeves-
tigingsysteem
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
RBij bepaalde kinderzitjesbevestigingssystemen van de gewichtsgroepen II of III kan het
gebeuren dat het kinderzitjesbevestigingssysteem niet op de maximumgrootte kan worden
ingesteld, bijvoorbeeld door mogelijk contact met het dak.
RHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag niet het dak raken of door de hoofdsteun worden
belast.
RDe montagehandleiding van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
Legenda bij de tabel:
RX: Niet geschikt voor een ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsysteem in deze gewichtsgroep.
RIUF: Geschikt voor een naar voren gerichte ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsysteem van de
categorie "Universal" in deze gewichtsgroep.
RIL: Geschikt voor een ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsysteem overeenkomstig de tabel in
"Overzicht van de geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen" (Y pagina 47) of als
de auto en de zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het kinderzitjesbevesti-
gingssysteem zijn vermeld.
Gewichtsgroep Grootte-
klasse
Systeem Passagiers-
airbag is
ingeschakeld
Passagiers-
airbag is
uitgescha-
keld2
Babydraagzak F ISO/L1 X X
G ISO/L2 X X
0 tot 10 kg
tot circa 6 maanden
E ISO/R1 X IL
0+ tot 13 kg
tot circa 15 maanden
E ISO/R1 X IL
D ISO/R2 X IL
C ISO/R3 X IL
I 9 kg tot 18 kg
circa 9 maanden tot 4 jaar
D ISO/R2 X IL
C ISO/R3 X IL
B ISO/F2 IUF IUF
B1 ISO/F2X IUF IUF
A ISO/F3 IUF IUF
2 De auto is uitgerust met passagiersairbaguitschakeling. Het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF
moet branden.
46 Kinderen in de auto
>>
Veiligheid.
Pagina: 48
Geschiktheid van zitplaatsen voor bevestiging van een i-Size-kinderzitjesbevesti-
gingssysteem
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
RBij bepaalde kinderzitjesbevestigingssystemen van de gewichtsgroepen II of III kan het
gebeuren dat het kinderzitjesbevestigingssysteem niet op de maximumgrootte kan worden
ingesteld, bijvoorbeeld door mogelijk contact met het dak.
RHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag niet het dak raken of door de hoofdsteun worden
belast.
RDe montagehandleiding van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
Legenda bij de tabel:
RX: Niet geschikt voor een i-Size-kinderzitjesbevestigingssysteem in deze gewichtsgroep.
Ri-U: Geschikt voor een naar voren of een naar achteren gericht i‑Size-kinderzitjesbeves-
tigingssysteem van de categorie "Universal".
Ri‑UF: Geschikt voor een naar voren gericht i‑Size-kinderzitjesbevestigingssysteem van de
categorie "Universal".
Passagiersairbag is ingeschakeld Passagiersairbag is uit-
geschakeld3
i‑Size-kinderzitjesbevesti-
gingssysteem
i‑UF i‑U
Overzicht van de geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen
De smart fortwo is uitgerust met een handmatige passagiersairbaguitschakeling.
X Alvorens een naar achteren gericht kinderzitjesbevestigingssysteem op de passagiers-
stoel wordt gebruikt de passagiersairbag uitschakelen (Y pagina 42).
Geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen voor bevestiging met de veiligheidsgordel
van voertuigzitplaatsen
Gewichtsgroep Fabrikant Type Goedkeurings-
nummer (E1...)
Bestelnummer
(A 000 ...) met
kleurcode 9H95
Groep 0:
tot 10 kg
tot circa 6 maanden
Britax Römer BABY SAFE
PLUS
03 301146
04 301146
970 10 00
BABY SAFE
plus II
04 301146 970 20 00
970 36 00
Groep 0+:
tot 13 kg
tot circa
15 maanden
Britax Römer BABY SAFE
PLUS
03 301146
04 301146
970 10 00
BABY SAFE
plus II
04 301146 970 20 00
970 36 00
3 De auto is uitgerust met passagiersairbaguitschakeling. Het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF
moet branden.
Kinderen in de auto 47
>>
Veiligheid.
Z
Pagina: 49
Gewichtsgroep Fabrikant Type Goedkeurings-
nummer (E1...)
Bestelnummer
(A 000 ...) met
kleurcode 9H95
Groep I:
9 kg tot 18 kg
circa 9 maanden tot
4 jaar
Britax Römer DUO PLUS 03 301133
04 301133
970 16 00
970 37 00
Groep II/III:
15 kg tot 36 kg
Britax Römer KIDFIX 04 301198 970 19 00
970 38 00
KIDFIX XP 04 301304 970 61 00
Geadviseerde ISOFIX-kinderzitjesbevestigingssystemen in de categorie "Universal" / "Semi-
universal"
Gewichts-
groep
Groot-
teklasse
Fabrikant Type Goedkeurings-
nummer (E1 ...)
Bestelnummer
met kleurcode
9H95
Groep 0+:
tot 13 kg
E Britax Römer BABY-SAFE
plus
03 301146
04 301146
B6 6 86 8224
Groep I:
9 kg tot
18 kg
B1 Britax Römer DUO PLUS 03 301133
04 301133
A 000 970 1600
A 000 970 3700
i Meer informatie over het juiste kinderzitjesbevestigingssysteem is verkrijgbaar bij een
smart center.
Verdere onderwerpen:
RAanwijzingen met betrekking tot kinderzitjesbevestigingssystemen op de passagiersstoel
(Y pagina 43).
RAanwijzingen met betrekking tot de bevestiging van geschikte kinderzitjesbevestigings-
systemen (Y pagina 44).
Huisdieren in de auto
G Waarschuwing
Wanneer dieren zonder toezicht of niet
vastgezet in het voertuig worden achter-
gelaten, kunnen ze bijvoorbeeld toetsen of
schakelaars indrukken.
Daardoor kunnen ze:
Ruitrustingen van het voertuig activeren
en bijvoorbeeld bekneld raken
Rsystemen in- of uitschakelen en daar-
door andere verkeersdeelnemer in
gevaar brengen.
Bovendien kunnen niet vastgezette dieren
bij een ongeval of abrupte stuur‑ en rem-
manoeuvres door het voertuig worden
geslingerd en daarbij inzittenden verwon-
den. Er bestaat gevaar voor letsel en onge-
vallen!
Dieren nooit zonder toezicht in het voer-
tuig achterlaten. Dieren tijdens het rijden
altijd veilig vervoeren, bijvoorbeeld in een
geschikte dierentransportbox.
48 Huisdieren in de auto
>>
Veiligheid.
Pagina: 50
Veilig rijden
Grenzen van de rijveiligheidssystemen
! Zorg voor geschikte banden, opdat assis-
tentie- en rijveiligheidssystemen hun
maximale werking kunnen bereiken.
Rijveiligheidssystemen kunnen het gevaar
voor ongevallen van een niet aangepaste of
onoplettende rijstijl niet verminderen en de
natuurkundige grenzen niet verleggen. Rij-
veiligheidssystemen zijn alleen hulpmidde-
len. De bestuurder is zelf verantwoordelijk
voor de veilige afstand, de gereden snelheid
en het tijdig remmen. Uw rijstijl altijd aan de
weg- en weersomstandigheden en aan de
verkeerssituatie aanpassen en voldoende
veilige afstand houden. Oplettend rijden.
Om veiligheidsredenen adviseert smart,
alleen voor smart goedgekeurde sneeuwket-
tingen te gebruiken. Meer informatie daar-
over is verkrijgbaar bij een smart center of
een gekwalificeerde werkplaats.
Remmen met ABS (antiblokkeersys-
teem)
Het ABS regelt de remdruk zodanig dat de
wielen niet blokkeren bij het remmen. Hier-
door blijft de auto bij het remmen bestuur-
baar.
Als het contact wordt ingeschakeld, brandt
het waarschuwingslampje ! in het
instrumentenpaneel. Na het starten van de
motor dooft het.
Het ABS werkt, onafhankelijk van de staat
van het wegdek, vanaf een snelheid van circa
6 km/h. Bij een glad wegdek werkt het ABS al
bij een geringe druk op het rempedaal.
X Remmen, als het ABS regelt: Het rempedaal
krachtig ingedrukt blijven houden tot de
noodstopsituatie voorbij is.
X Bij een noodstop: Het rempedaal krachtig
ingedrukt houden.
G WAARSCHUWING
AlshetABSeenstoringvertoont,kunnende
wielen blokkeren bij het remmen. Daarbij
zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag
sterk nadelig beïnvloed. Bovendien zijn
ook andere rijveiligheidssystemen uitge-
schakeld. Er bestaat verhoogd slipgevaar
en gevaar voor ongevallen!
Voorzichtig verder rijden. Het ABS direct
laten controleren bij een gekwalificeerde
werkplaats.
Afstandswaarschuwingsfunctie
gebruiken
Wetenswaardigheden
De afstandswaarschuwingsfunctie waar-
schuwt de bestuurder optisch en akoestisch,
als het gevaar van een aanrijding is herkend.
De afstandswaarschuwingsfunctie kan met
behulp van het radarsensorsysteem obsta-
kels herkennen die langere tijd voor de auto
uit rijden.
De afstandswaarschuwingsfunctie kan tot
een rijsnelheid van 70 km/h reageren op stil-
staande obstakels, zoals stilstaande of
geparkeerde auto's.
Het volgende in acht nemen
G WAARSCHUWING
De afstandswaarschuwingsfunctie rea-
geert niet:
Rop personen of dieren
Rop tegenliggers
Rop kruisend verkeer
Rin bochten.
Daardoor kan de afstandswaarschuwings-
functie niet in alle kritische situaties
waarschuwen. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in
acht nemen en gereed zijn om te remmen.
G WAARSCHUWING
De afstandswaarschuwingsfunctie kan
objecten en complexe verkeerssituaties
niet altijd ondubbelzinnig herkennen.
Veilig rijden 49
>>
Veiligheid.
Z

Vragen & antwoorden

Er zijn (nog) geen vragen over de Smart Fortwo (2017).

Stel een vraag over de Smart Fortwo (2017)

Heb je een vraag over de Smart Fortwo (2017) en kan je het antwoord niet vinden in de gebruikershandleiding? Wellicht kunnen de bezoekers van ManualsCat.com je helpen om je vraag te beantwoorden. Door het formulier hieronder in te vullen zal je vraag verschijnen onder de handleiding van de Smart Fortwo (2017). Let erop dat je het probleem dat je hebt met de Smart Fortwo (2017) zo zorgvuldig mogelijk beschrijft. Hoe duidelijker je vraag omschreven is, hoe groter de kans is dat je snel een reactie ontvangt van een andere gebruiker. Via e-mail zal je automatisch op de hoogte gesteld worden als iemand gereageerd heeft op je vraag.